De laatste 5 weken in Australië: Outback en Westkust
May 11th, 2008Proloog
Gevuld met bloemkool en aardappelen en verpakt in een
meervoud van kledinglagen luister ik naar de regen die me al dagen daverend
welkom heet. Ik heb voor het eerst in tijden weer in het Nederlands gedroomd,
beklim de trappen weer aan de rechterkant en beweeg me weer onopvallend door de
drukte van onbeleefde landgenoten.
Het is geen eenvoudige ruil; een continent van
natuurwonderen en avontuur tegen een vergrijzende grijsheid van wat je altijd
al gewend was, maar ik zal het er mee moeten doen. Over een paar weken zal het
zijn alsof ik nooit ben weggeweest. Mijn bruine huid weer bleek, mijn beleving
van afstand en reistijd weer ongerelativeerd en mijn gedachten weer bij
serieuzere zaken. Gelukkig hebben we altijd de foto’s en de verhalen nog. Verhalen
zoals deze, over mijn laatste vijf weken in Australië waarin ik zowel het binnenland
als de westkust heb verkend.
Reflecties in de lucht
Het is zondag 30 september, bijna maandag. Ik ben behoorlijk
moe. De laatste weken draaiden volledig rond mijn stage en gestreste dagen van
tien of elf uur werken waren meer regel dan uitzondering. Over het resultaat
kan ik toch niet ontevreden zijn. Het verslag nog wel niet helemaal af, maar
minder dan één week werk resteert.
Toch verklaart dit de moeheid niet helemaal. De oorzaak ligt
meer in de postalcoholische sferen, na de kleine afscheidsreceptie van
gisteren. Het was gezellig; dinertje gekookt voor Miz en Saira, paar flesjes
wijn erbij, laatste babbeltjes met huisgenoot Gautam en nog een keer de stad
in.
Misschien moest ik toch maar wat uitrusten… Maar op dat
moment wordt de landing ingezet. In het verschiet ligt een korte nacht in een
heet hostel die wat betreft nachtrust niet overtroffen zal worden in de komende
maand. Ik land in Darwin, het is net na middernacht en het kwik kleeft nog
steeds boven het streepje van de 30 graden.
Darwin
Rond een uur of acht word ik wakker. Het is inmiddels vier
keer zo warm als dat het laat is en vanaf dit moment heb ik haast. Het is 1
oktober en over 30 dagen vlieg ik weer naar Nederland. In de tussentijd heb ik
aardig wat kilometers af te leggen.
Met Nicholas, een Duitse kamergenoot met de zelfde smaak in
vliegtuigen als ik stap ik vol goede moed de kamer uit en Darwin in. Darwin is
de hoofdstad van the Northern Territory en dat deze bruisende metropool slechts
80000 inwoners telt geeft al een aardige eerste indruk van de rest van het
territorium.
Na een uur of wat lopen verlies ik vriend Nicholas aan een
geval van acute luiheid. Alleen loop ik verder. Darwin is best uitgestrekt en
voordat ik bij een fatsoenlijk strand kom ben ik kilometers verder. Het strand
blijkt dan ook nog eens niet te zijn wat mij op de ansichtkaarten is beloofd.
Een modderpoel bezaaid met zeilboten ligt tussen mij en de Timor Sea. Een
bijzonder zicht, veroorzaakt door de grootste tijschommeling van het jaar: 12
meter.
Na een museumbezoekje en een prima lunch besluit ik weer
terug te lopen; een bijzonder saaie wandeling van anderhalf uur langs een
ongezellige weg, terwijl de brandende zon mijn T-shirt in tinten van bruin en
rood in mijn huid tatoeëert.
Wanneer ik mezelf na de dag lopen operatief van mijn
teenslippers en vochtverzadigd shirt verwijder, ben ik weinig enthousiast over
het tropenstadje. En hoewel ik na een koude douche, een after sun lotion
besprenkeling en een paar ijskoude pilsjes in de zwoele avonduren mijn mening
enigszins naar boven bijstel, verheug ik me al op de volgende dag, als ik de
‘grote stad’ inruil voor de bush.
Litchfield en Kakadu
Het is 6 uur in de ochtend en mijn telefoon verzoekt mij op
te staan. Ik pak snel mijn spullen en verruil het matige hostel voor een al
even matige stoep, met het verschil dat de mate van matigheid van de stoep niet
opvalt, daar alle stoepen middelmatig zijn, behalve natuurlijk hele grote
stoepen.
Ik word al snel van bovengenoemde stoep geplukt door een
vierwielaandrijfbaar busje van Adventure Tours. Clancy from Australia, de gids,
verlaat de bestuurdersstoel, doet een dappere poging mijn achternaam uit te
spreken en gooit mijn rugtas op het dak. Niet veel later verlaten wij Darwin.
Wij, in dit geval, zijn 15 toeristen en eerder genoemde gids. Er zijn Engelse,
Duitse, Vlaamse, Australische, Maleisische, Koreaanse en Zwitserse invloeden,
maar deze verbleken bij het aandeel Nederlanders in de groep. We zijn met zijn
zessen. Ik kan het bijna niet geloven, maar na drie keer tellen moet ik dit
feit toch accepteren.
Een paar uur later komen wij aan in Litchfield National
Park. Allereerst kijken we uit over Florence Falls; een uiterst sfeervol
ensemble van vallend water. Het aanschouwen van deze liquide oogtraktatie doet
ons verlangen naar afkoeling en al watertandend van vochtanticipatie dalen wij
in zwemkledij af.
Aan de voet van de waterval voegen we ons bij de talrijke
toeristcollega’s in het heldere, verkoelende water. Met de warme zon in het
gezicht, de discrete bulder van vallend water in de oren en de visjes
knabbelend aan de tenen is dit een sensatie waar wij best aan willen wennen.
Echter, het drukke programma laat geen tijd voor gewenning en spoedig zijn wij
op weg naar de volgende zwemattractie.
Deze is, als ik mij niet vergis, Buley Rock Holes; een hoogst
vriendelijk riviertje met hier en daar een watervalletje. In zo’n watervalletje
is het goed vertoeven met de kinetische energie van het water die je schouders
masseert, terwijl de gladde rotsen het achterwerk voorzien van tedere
ondersteuning. Wanneer je dan volledig onthaast bent van het korte
wandelingetje tussen het vorige en huidige paradijselijke plekje, kun je in een
vorm van veilige waaghalzerij vanaf een paar meter hoogte het water inspringen.
Intussen wordt er een klein rugbyballetje heen en weer
gegooid. Ik leg uit dat Nederlanders, zelfs na 8 maanden in Australië, niet aan
dergelijk misvormde sferoïden gewend zijn en bewijs dit experimenteel. Een aantal
instanties van hermafrodiete werptechniek later heb ik mijn medereizigers alle
hoeken van het ronde rotszwembad laten zien, hetzij door ze er naartoe te laten
zwemmen om de bal te apporteren. Ik houd vol dat de willekeur in koers
uitsluitend te wijden is aan de komische verschijning van het te werpen object
en verzwijg voor het gemak dat ik het niet veel beter zou doen met een bal
conform de Johan Cruijff eisen.
We verlaten Litchfield National Park en na een uur of wat in
het busje komen wij aan in Mary River National Park. Dit park heeft, zoals de
naam reeds doet vermoeden, als belangrijkste attractie de Mary River. Omdat een
zwemmende excursie vanwege een aantal redenen niet tot een goed idee gerekend
kan worden, stappen we in een safaribootje.
Gemoedelijke cruisen we over het riviertje, momenteel
gemiddeld een meter of 20 breed, maar over een paar weken begint het
regenseizoen en zal dit watertje danig buiten zijn oevers treden dat het samen
met andere plasjes, meertjes en riviertjes een bijzonder groot meer zal vormen.
De rijkelijk aanwezige flora en fauna weten dit en zijn hier op voorbereid. De
meeste bomen die er te zien zijn vinden het dan ook geen probleem om de helft
van het jaar grotendeels of geheel onder water te staan. Termietennesten zijn
op hoogte gebouwd, net boven het te verwachten waterpeil en het gedierte dat
nog niet alle zwemdiploma’s behaald heeft, gaat binnenkort hogerop.
Momenteel zit alles er nog, wat natuurlijk gunstige gevolgen
heeft voor de cruise. De kapitein, tevens schipper, matroos, gids en
scheepspsycholoog manoeuvreert ons onverschrokken door de natuurlijke
leefomgeving van talloze vogels, vissen en krokodillen. Gretig nemen wij alles
in ons en onze fotocamera’s op.
Nu doen vogels me niet bijzonder veel, maar de Black Necked
Stork (zwarte ooievaar), ook wel op zijn Aboriginals ‘Jabiru’ genoemd
(uiteraard heilig voor de Aborigines en tevens logo van the Northern Territory),
is toch een erg mooi beest. Interessanter nog is de White Bellied Sea Eagle, de
op één na grootste roofvogel van Australië met een vleugelspan van zo’n twee
meter. Romantisch als ze zijn jagen ze altijd in koppels, iets waar de kleinere
roofvogels niet blij mee zijn, omdat ze veel prooi wegjagen. Het is dan ook
niet zeldzaam om zo’n middelmatig vogeltje een spectaculaire luchtstrijd te
zien voeren met zo’n grote zeearend en nog te zien winnen ook.
De krokodillen zijn uiteraard nog interessanter. Mary River
is vrij uniek omdat het grote populaties kent van zowel saltwater crocodiles
(salties) als freshwater crocodiles (freshies). Nog even ter verduidelijking;
freshwater crocs worden slechts een meter of drie lang en zijn vrijwel
ongevaarlijk voor de mens. Ze zijn bang voor ons en tenzij je een exemplaar
dwingt tot sodomie met een bezemsteel, zullen ze je weinig doen. De mannelijke
salties daarentegen worden gemiddeld zo’n vijf meter lang (7 meter is ook wel
eens gevonden) en zijn nergens bang van. Vanaf drie meter wordt een saltie in
staat geacht om het leven van een Duitse toerist te nemen.
Freshies leven doorgaans alleen in zoet water, terwijl
salties uit de voeten kunnen in beide soorten water. Dit is bijvoorbeeld één
van de redenen waarom je in Broome of Darwin niet in zee wilt zwemmen, hoewel
je waarschijnlijk al op pijnlijke wijze bent gestorven aan een keur van kwallensteken,
voordat een krokodil zijn miljoenen jaren in jachtevolutie op je demonstreert.
Vaak wordt verondersteld dat waar freshies leven, geen salties zijn en vice
versa, maar een baantje trekken in de Mary River zou deze aanname dus binnen
een kwartiertje spectaculair ontkrachten.
Gedurende het tochtje zien we vele exemplaren van beide
soorten, doorgaans relaxerend in het zonnetje op de oever, soms in
boomstamimitatie in het water. We voelen ons onterecht veilig in ons vaartuig
dat eigenlijk alleen bescherming biedt tegen natte voeten, want een
enthousiaste saltie komt met gemak met tweederde van zijn lichaamslengte het
water uit. Toch gebeurt dat schijnbaar nooit. Wellicht omdat de koeien die
nietsvermoedend een slokje water komen slurpen niet alleen makkelijker, maar
ook veel smakelijker zijn. Of uit angst voor repercussie van een ontdane
minister van toerisme.
’s Avonds overnachten we op Point Steward. Het is de eerste
nacht kamperen, waarop nog vele zullen volgen, en ik verwacht zuiver minimalisme.
Verrast ben ik dan ook wanneer ik niet alleen een bekoelkaste keuken in een
tent tegenkom, maar zelfs in bungalowtentjes een soort bedden ontwaar, in de
vorm van een houten kist met een matje. Daar ik zoveel onverwachte luxe maar
met moeite in één keer kan verwerken, leg ik mijn matrasje maar vast buiten,
zodat ik later onder een deken van sterrenhemel een nieuwe slag met de
Australische mug kan gaan voeren. Van het tevens aanwezige sanitairgebouw maak
ik douchenderwijs wél dankbaar gebruik.
Voordat de nacht valt wordt er eerst een aangename maaltijd
bereid, onder leiding van Clancy, die naast een uitgebreide theoretische en
praktische kennis over de omgeving ook op culinair niveau zijn mannetje blijkt
te staan. Vervolgens scharen wij ons rondom een kampvuur waar Clancy de
didgeridoo rond laat gaan en wij vrijwel zonder uitzondering laten zien dat we
niet in staat zijn om fatsoenlijk op een holle stok te blazen. Toch lastiger
dan het lijkt…
_____________________________________________________________________
Het is ergens na vijven en de zon maakt me wakker. Verderop
hoor ik hoe Clancy met een schamele imitatie van een kraaiende haan mijn
tourgenoten uit de tent lokt. Ik tel mijn muggenbulten. Het zijn er slechts
twee, in zuivere symmetrie op beide armen aangebracht. Echter, de zwellingen
compenseren ruimschoots voor het meevallertje in kwantiteit.
Ik nuttig hetzelfde ontbijt als ik de rest van de maand zal
doen; twee stukjes toast met een veel te zoete jam en een onwaardige bak
oploskoffie. We pakken in en binnen een uur zijn we op weg naar Kakadu National
Park.
Kakadu is waarschijnlijk het beroemdste nationale park in
Australië. Het is in grootte ongeveer de helft van Nederland, wat stevige
stukjes rijden tussen de hoogtepunten van natuurschoon onvermijdelijk maakt.
(Volgens Net 5, die het programma Outback Jack uitzendt, wat zich in Kakadu
lijkt af te spelen, is Kakadu het grootste park van Australië. Dit is uiteraard
volledige onzin, omdat bijvoorbeeld het Eungella National Park, waar ik de Platypus
heb bekeken ongeveer tweeënhalf keer zo groot is, maar dit terzijde.)
Laat ik, wellicht ten overvloede, nog eens opmerken dat het
aan de warme kant is in Kakadu. De temperatuur is opgelopen tot tegen de
veertig graden, met een luchtvochtigheid van honderd procent.
Een andere feature is de overdreven aanwezigheid van
vliegen. Er zijn zo’n tweehonderd soorten vliegen in Kakadu en van elke soort
zitten minimaal twee exemplaren te allen tijde op je. Dit zou al vervelend
genoeg zijn wanneer ze egaal over het lichaamsoppervlak verspreid zijn, maar het
betreft hier Australische vliegen en die zijn met name gefascineert over het
gelaat met al haar mysterieuze openingen en holtes. Het aandringen op opvliegen
van de excentrieke insecten vormt een dagtaak en het beeld van een wild
schuddend hoofd en nog wilder zwaaiende armen en benen doet denken aan een
paranoïde schizofreen in chronische ontkenning. Enige troost is te vinden in
het besef dat iedereen er zo uit ziet.
Terwijl we ons vergeefs aan de aandacht van de vliegen
proberen te onttrekken, vertelt Clancy over het park en wat wij daar gaan doen.
Delen van zijn uitleg komen op mij niet helemaal goed over, want het wordt
overstemd door roggelende geluiden van omstanders die vliegen uitspugen en
kreten van kwetsuur veroorzaakt door wild zwaaiende armen die ongewenst met
wild schuddende hoofden in aanraking zijn gekomen. Terwijl Clancy de kaart van
het gebied tevoorschijn haalt verwijder ik een vlieg, die zojuist van een
dampende berg paardenfecaliën is opgestegen, uit mijn oor.
Dan dient de volgende afleiding zich aan; het is de bron van
de paardenfecaliën en hij heeft zijn vriendjes meegebracht. Kakadu heeft een
grote populatie wilde paarden. Hoewel ik van nature geen groot
paardenenthousiast ben, ben ik toch verwonderd over de schoonheid en
sierlijkheid van deze exemplaren. Aan voedsel en beweging is kennelijk geen
gebrek en de dieren zien er een stuk mooier en gezonder uit dan die dure
Arabieren die wel eens op televisie te zien zijn.
Na onze eerste ervaring met Kakadu rijden we snel door naar
onze eerste bestemming van de dag: Maguk, in het Engels Barramundi Gorge
genoemd. Onderweg zie ik een Dingo de weg oversteken en ik zet een mentaal
vinkje in het al even mentale Dingo-in-het-wild-gezien-vakje.
Barramundi Gorge is dus een kloof en zoals wel vaker bij
kloven kent deze een begin en een eind. Aan het beginpunt stroomt het water
veelal met een waterval de kloof in. Echter, in Maguk is deze waterval
opgesplitst in een cascade van kleine watervalletjes met lieflijke zwembadjes
ertussen, en een wat grotere waterval aan het einde.
We vermaken ons eerst onderaan de laatste, grote waterval,
in water waar een freshwater croc schijnt te leven, die zich helaas niet liet
zien. Na verfrist te zijn, drogen we razendsnel op terwijl we naar boven
klimmen, om daar weer drijfnat aan te komen voor de volgende zwempartij.
Het is boven nog prachtiger dan beneden en in navolging van
deze filosofie vermaak ik me kostelijk door langs de kleine watervalletjes
omhoog te klimmen. Hoe hoger ik kom, hoe minder mensen er zijn en hoe warmer
het water wordt. Na een tijdje besluit ik weer terug te keren om te voorkomen
dat men zonder me vertrekt. Het was een interessante klim in een prachtige
omgeving. Terug bij de groep aangekomen tref ik een schouwspel van natuurlijk
schoon in zowel eeuwenoude rotserosie als lentejonge dames in bikini. De
Belgische Tom geeft de Koreaanse Juree zwemles en de aanwezige Britten en
Ozzies gooien nog eens met de rugbybal.
Na het schone water weer in zweet te hebben omgezet zitten
we in de bus in de schrale troost van al even schrale airconditioning. We
rijden een paar uur, ontwijken met moeite een suïcidaal veulen en komen
uiteindelijk aan bij Ubirr.
Ubirr is één van de beroemdste plaatsen waar Aborigines op
rotsen hebben staan vingerverven. Schilderingen uit verschillende periodes zijn
bewaard gebleven en de plek is daarom van groot belang voor de antropologische
wetenschap. Hoewel het best interessant is om te zien hoe men in een bepaalde
periode behoorlijk geïnteresseerd was in de anatomie van voedsel en het
doorgeven van kennis, kan ik niet zeggen dat ik blij zou worden van zo’n
tekeningetje boven mijn bed. Ik wil uiteraard de significantie van deze plek
niet te min doen, maar ik kan niet begrijpen waarom sommige mensen met een
geestelijke erectie urenlang naar de oude verfresten kunnen staren. Aan de
andere kant, dat heb ik ook nooit begrepen van een kleurplaat van Mondriaan of
van de verwarde binnenhuisarchitectuur van Duchamps.
Na uitgebreid gediscussieerd te hebben over het inventieve
lichtgebruik en de expressieve penseelstreken van de afbeelding van een vis,
maken we een korte klim omhoog naar een top die ons in 360 graden vrij uitzicht
geeft over het landschap. Een grote vlakte strekt zich naar alle kanten uit, begrensd
door de bergen aan de horizon. Hier en daar liggen wat rotsen opgestapeld en
clusters van bomen verbreken plaatselijk de vlakte. Plassen water reflecteren
het laatste zonlicht in kleuren rood terwijl de zon zijn laatste warmte van de
dag ten overvloede op ons uitstraalt. Het geheel voelt erg Afrikaans aan; een
uitgestrekte steppe bij ondergaande zon. We schatten wie de lichtste van het
gezelschap is, zodat we haar op Lion King achtige wijze op kunnen tillen. Een
groepje wallabies gaat in de schemering op zoek naar voedsel en tegen beter
weten in zitten wij met de camera’s in de aanslag om een hongerige leeuw te
kunnen fotograferen.
Terwijl de duisternis rond ons heen optrekt rijden we naar
Jabiru, één van de weinige dorpen in Kakadu, waar zo’n duizend mensen wonen.
Kakadu kent een aantal Aboriginal gemeenschappen, maar in Jabiru wonen ook
blanken, die daar veelal in een mijn werken.
Op weg naar de camping ontwijken we wat wallabies en
passeren we een bosbrand. Aboriginals onderhouden het land in Kakadu en doen
dat zoals ze dat al tienduizenden jaren doen; met de fik erin. Door regelmatig
stukken gecontroleerd af te branden, wordt het land vruchtbaar gehouden en
beschermd tegen ongecontroleerde bosbranden door bijvoorbeeld blikseminslag. De
flora en zelfs fauna zijn hier volledig aan gewend. Het droge gras brandt af,
maar de bomen kunnen er tegen. Zelfs de termietennesten komen onbeschadigd door
de branden heen. Sterker nog; sommige bomen laten alleen hun zaden alleen los
bij vuur en de termieten genieten van de warmte van de brand. Hoe het ook zij,
het geeft leuke foto’s.
De camping is vergelijkbaar met de vorige. Na wederom een
goede maaltijd en aangename douche drinken we nog een paar pilsjes op het kamp.
Clancy, die gedurende de hele dag zijn kennis heeft verspreid over de planten,
dieren en geschiedenis van Kakadu, leert ons een gaaf trucje; spinnen zoeken.
Door een zaklamp die een fatsoenlijke bundel licht produceert met de achterkant
tegen je neus aan te zetten en met de bundel mee te kijken, kun je op veel
plaatsen op de grond kleine, ronde reflecties zien. Deze reflecties worden
veroorzaakt door één van de acht ogen van een spin die daar nietsvermoedend zit
te wachten op een nietsvermoedende mier of termiet. Verbazingwekkend hoeveel
spinnen er continue op de grond rond je heen zitten, veelal kleintjes, maar
soms ook best grote. In ieder geval een goede methode om een stukje grond te
controleren, voordat je er gaat slapen.
Buiten slapen is echter die avond niet aan de orde. De twee
muggenbulten hadden gedurende de dag voor een aanzienlijke jeuk gezorgd en hoewel
de sterrenhemel in Kakadu werkelijk spectaculair is, heb ik hier na het
afzetten van mijn bril voor het slapen gaan toch niet meer zo veel aan. Deze
avond slaap ik dus in de tent, waar de temperatuur, zoals ook buiten, nog
steeds buitengewoon hoog is.
_____________________________________________________________________
Kort na vijven wordt ik gewekt door een kakelende haan.
Clancy lijkt geoefend te hebben op zijn imitatiekunsten, maar het blijkt een
mp3 te zijn van Jeffrey uit Overijssel. Er wordt ontbeten, er wordt ingepakt en
er wordt vertrokken richting Jim Jim Falls.
De route brengt ons over een zandpad waar de
vierwielaandrijving van de bus wordt ingeschakeld. Als in een blender komen we
langzaam dichterbij Jim Jim Falls, door een omgeving van vaak dichte begroeiing
en reusachtige termietenkathedralen. We stoppen bij een imposant exemplaar van
zo’n vijf meter hoog. Naar schatting kost elke meter van de kathedraal zo’n
tien jaar om te bouwen en dit gebeurt met termietuitwerpselen. Het resultaat is
een harde, sterke, vuurbestendige berg waar je je auto op stuk zou rijden.
Een stukje verderop stoppen we nogmaals omdat Clancy een
kinky boom met dito vrucht heeft gezien. De vrucht schijnt door de Aborigines
gebruikt te zijn voor het verdoven van kiespijn. Clancy plukt een exemplaar en vraagt
een vrijwilliger om de vermeende werking uit te testen. Nu heb ik het niet zo
op alternatieve geneeswijzen, maar ik wil best met verdovende middelen experimenteren.
Dus, na een kort beslissingsproces, zit de vrucht tussen mijn rechterkiezen
geklemd, terwijl Clancy de bus weer in beweging brengt. Per direct vloeit een
misselijkmakend sap de vrucht uit, mijn mond in. Een plantaardige smaak van
dierendarmen doet mijn tong krullen en het vergt opperste concentratie om een
zekere antiperistaltische drang te onderdrukken. Clancy, die uiteraard van deze
bijwerking op de hoogte was, maar verzuimde dit als a priori kennis aan zijn
vrijwilliger mee te geven, verzoekt mij breed grijnzend de duivelsvrucht nog
een tijdje in het gelaat te laten. Veel keuze heb ik niet, daar we op dat
moment met de bus door dichte begroeiing stuiteren. Uit het raampje hangen voor
discrete spuugpraktijken, zal resulteren in verlies van bril, opperhuid,
jukbeen en bewustzijn. Daarom hou ik de kiezen op de vrucht die intussen nog
steeds sappen loslaat alsof hij ejaculeert met tantratraining. Als mijn mond
bijna overloopt en mijn tong aanvoelt alsof ik een kwartier aan een boom heb
zitten likken, komen eindelijk de verlossende woorden van Clancy en een open
plek in de begroeiing. Vol overtuiging onderwerp ik het resterende vruchtvlies
en een geruime hoeveelheid sap in onverpakte vorm aan de zwaartekracht. Van ettelijke
verdoving van tanden en tandvlees is niks te merken, maar enige vorm van
kiespijn zou ongetwijfeld vergeten zijn…
Jim Jim Falls is een recht stuk berg van 180 meter hoog waar
gedurende het regenseizoen een ongekende hoeveelheid water vanaf dondert.
Gedurende het regenseizoen regent het weken aan een stuk, opgesierd met de
meest spectaculaire onweerpartijen en gevaarlijke orkanen. Dit heeft onder
andere als gevolg dat het Noorden van Australië er in en na die periode heel
anders uitziet. In Kakadu moet je je voorstellen dat al het aanwezige water met
een meter of twee tot drie stijgt. Die steppe bij Ubirr, die hierboven
beschreven is, is één groot meer na een paar weken regen. De plassen water die
er nu nog lagen, de laatste restanten van het vorige regenseizoen. Al het water
komt met elkaar in verbinding, de krokodillen verspreiden zich en zwemmen uit
hun voorheen geïsoleerde billabong (permanente waterplas) naar zee en
vervolgens naar Darwin, of andersom. Grote gebieden, waaronder Jim Jim Falls in
Kakadu zijn dus gedurende het regenseizoen ontoegankelijk.
Zo in het einde van het droge seizoen komen we er wel, maar
er valt uiteraard geen water. De overlap tussen toegankelijkheid en waterval is
schijnbaar maar drie weken per jaar, verspreid over de overgangen tussen de
twee seizoenen. Niet getreurd, want ook zonder vallend water is de plek
prachtig.
Na een stevige wandeling langs een kabbelend beekje dat
spoedig zal veranderen in een woest kolkende rivier, komen we aan bij een
strandje. Het is ongekend warm vandaag, dus met spoed trekken we alle
overtollige kleding uit en gaan we te water. Het is hier al mooi, maar na een
klein zwemtochtje en dito klim over een stapel rotsen komen we dan
daadwerkelijk aan de voet van de zo machtige, doch droge waterval. Het uitzicht
is onbeschrijflijk. Ik zwem in water van vijftig meter diep, langs rots die
rond me heen kaarsrecht 180 meter de hoogte in gaat. Als ik op mijn rug zwem
zie ik boven de top van de waterval wolken voorbij drijven, terwijl de stemmen
van mijn reisgezelschap in de verticale tunnel echoën. Aangekomen bij de rand
is het duidelijk dat de rotsmuur volledig vlak en recht de diepte in gaat, glad
door het geweld van vallend water. Boven het wateroppervlak zit er wel wat
reliëf in de wand waardoor we omhoog kunnen klimmen om vervolgens weer van
meters hoogte het water in te duiken. Een proces waarbij menigeen een lichte
vorm van hoogte- en watervrees heeft overwonnen.
Het is er prachtig. Helaas heb ik mijn
wegwerponderwatercameraatje niet meegenomen, hoewel ik betwijfel of het de
grootsheid ook maar fractioneel had kunnen vastleggen.
Later zitten we vermoeid maar voldaan weer in de bus. We
genieten nog een lunch, maar daarna zijn we weer op weg terug naar Darwin, wat
vanaf deze plek toch ruim vier uur rijden is. Onderweg komen we de zonnewagen
van de TU Delft tegen, zij het op de aanhanger. De race zal binnenkort gaan
beginnen en uiteraard zullen ze hem weer winnen. De locatie van de race; de
Stuart Highway, tussen Darwin en Adelaide, zal ook ik in de komende 10 dagen
gaan afleggen, met de nodige omwegen en attracties. Maar hierover later meer.
Eerst is er nog een nacht in Darwin. Na wat pilsjes in een
bijzonder foute bar en een paar pilsjes in een bijzonder aangename bar, ga ik
weer eens te laat naar bed. Dit keer in ieder geval wel weer een bed, in een
kamer met airconditioning, maar niettemin een korte nacht.
Darwin naar Alice Springs
Het is vijf uur en mijn telefoon piept melodieus op het
constante bonzen van mijn hoofd. Het is ook altijd weer hetzelfde liedje… Ik
pak mijn spullen in, neem afscheid van bed en airconditioning en zit om zes uur
in een bus, met achttien anderen. De hele groep uit Kakadu is er nog, met
uitzondering van Vic, een vriendelijke Engelse kerel uit de filmindustrie, met
wie ik nog een leuk gesprek had gehad over videobewerking en special effects.
We zijn aangevuld met een extra Koreaanse, een koppel bestaande uit een
Française en een Ier en een Duits koppel. Ook is er een andere gids; Phil.
Nog voordat we Darwin uit zijn, komt in het oosten een grote
rode zon op. Vuurrood licht, gebroken door het struikgewas in de berm,
reflecteert op het verlaten asfalt. In Australië komt de zon nog traditioneel
op en gaat zij ook traditioneel weer onder. Dit in tegenstelling tot Nederland,
waar het gewoon donker en licht wordt. Ik kan mij niet herinneren wanneer ik in
Nederland voor het laatst vuur in de lucht heb gezien, industrieel affakkelen
uitgezonderd, maar misschien is dat het gevolg van een selectief geheugen. Ik
besluit in ieder geval deze zonsopkomst en alle andere zonneactie goed in me op
te nemen.
Vandaag hebben we het kortste ritje van de drie dagen;
slechts 350 kilometer. Ik zou in deze tijd graag wat slapen, maar dit blijkt
vrijwel onmogelijk. De bus is namelijk van het merk Mitsubishi en zoals al
eerder aangegeven op deze weblog (avonturen rond Melbourne), zijn Japanners
niet in staat comfort te creëren. De leuning van de stoel maakt een rechte hoek
met het zitvlak en de stoel als geheel is zo gevuld als een Ethiopiër na drie
maanden Sonja Bakker.
Nu zijn deze eigenschappen niet goed voor een stoel, maar
eventueel overkombaar. Echter, de volgende soortgelijke stoel staat ongeveer
één el voor de mijne. Nu ben ik op zo’n wonderlijke wijze gevormd dat mijn
bovenbenen significant langer zijn dan mijn onderarmen. Wie nog een beetje
bekend is met vooroorlogse lengtematen kan hieruit afleiden dat ik niet conform
de nederige Japanse bedoelingen van de stoel gebruik kan maken. In plaats
daarvan ben ik in voortdurende beweging waarbij mijn benen alle denkbare
posities innemen tussen gebogen tussen borst en nabije rugleuning geklemd en
uitgestrekt in het gangpad, met mijn hoofd stuiterend tegen het raam. Het geeft
in ieder geval wat afleiding…
Ik mag nog van geluk spreken dat ik in een enkele stoel zit,
aan het linkerraam van de bus, in plaats van aan het rechterraam van de bus,
waar een buurpersoon van willekeurig geslacht de beenruimte in het gangpad
blokkeert.
Ergonomisch uitgedaagd doe ik toch verschillende
slaappogingen met de benen in het gangpad, maar de beroerde staat van de
Australische wegen in de Outback, in combinatie met de sadistische Japanse
vering, zorgen voor een freestyle beat van raam op hoofd, zonder dat mijn
telefoon daar enige melodieuze bijdrage aan geeft. Na een korte sessie
schijnslapen geef ik op en staar maar wat naar buiten.
Na verloop van tijd komen we aan in Katherine, een plaatsje
met een kleine 7000 mensen, waarvan een groot deel van Aboriginal afkomst. Een
stukje buiten deze gemeenschap zullen wij de nacht doorbrengen nadat we het
nabijgelegen natuurpark hebben bezocht. Eerst gaan we naar één van de vele
bottle shops (slijterijen) om wat gezelligheidsversnaperingen in te slaan.
Vanwege de nieuwe alcoholwetten in the Northern Territory,
(opgelegd door Prime Minister John Howard ter bestrijding van het alcoholisme
onder de Aboriginal bevolking), mogen de bottle shops pas na twee uur ’s
middags open. Het resultaat is dat er om kwart voor twee grote groepen
Aboriginals voor de deur staan te wachten. Het ziet er zwart van de mensen.
Opgelucht dat men pas na tweeën troost kan kopen, stappen wij de bus uit. Het
geeft immers zo’n nare sfeer als iedereen gespreid over de dag zijn alcohol
koopt…
Ik ben dus in the Northern Territory. In tegenstelling tot
de Oostkust zie je hier dus echt de invloeden van de oorspronkelijke bewoners
van het land. Niet alleen de oude cultuur en verhalen, zoals de
rotsschilderingen in Kakadu of in één van de vele culturele centra, maar ook
wat er van die cultuur geworden is na contact met de Europeanen.
Over dit laatste kan ik helaas niet bijster positief zijn.
In een stadje als Katherine, waar wit en zwart naast elkaar leven, zie je op
elke straathoek Aborigines staan, zitten of liggen, vaak in niet veel meer dan
een paar oude, bevlekte vodden en over het algemeen dronken met de fles in de
hand. Ze zien er slecht verzorgd uit, ruiken passend voor de situatie en missen
een aantal tanden. Verschil tussen mannen en vrouwen is soms bijzonder moeilijk
op te merken door ongecontroleerde haargroei op onverwachte plekken en het
geheel maakt een bijzonder dreigende, doch trieste indruk.
Uiteraard moet ik hierbij opmerken dat ik hier alleen de
sociaal minder geslaagden zie. Ik tel de aanwezige bottle shop groupies even en
kan blij concluderen dat er slechts een fractie van de 7000 mensen aanwezig
zijn. De overigen zijn ongetwijfeld in nette kleding en bloemerig geurend op
hun werk.
Van mijn tour guides hoor ik vele verhalen over
probleemloze, alcoholvrije Aboriginal gemeenschappen en eerder vertelde een
verpleegster uit Katherine, die ik in Townsville ontmoette, dat het in
Katherine relatief goed gaat. Toch zijn er, zonder te veel te generaliseren,
grote problemen die maar al te zichtbaar worden bij een tochtje door het midden
des lands.
De oorzaken zijn duidelijk te lezen in de recente
geschiedenis. De Aborigines hebben bijzonder veel gruwelijkheden moeten
doorstaan (tot ver in de 20e eeuw) en heden ten dagen zijn er nog
steeds reusachtige verschillen en ernstige discriminatie. Het ziet er niet naar
uit dat dit snel opgelost wordt.
De regering is continu in dilemma. Ofwel je dwingt iedereen
een blank leven te leiden, of je respecteert oude gebruiken en staat verdere
vervreemding toe. Nu komt de drooglegging opgang en wordt kindermisbruik met
behulp van het leger opgespoord en bestraft. Beide duidelijke voorbeelden van
het eerste. Anderzijds is er geen leerplicht voor Aboriginal kinderen; een dramatisch
voorbeeld van het tweede.
Afijn, we zetten onze behoeften om in drank (later zal dit
proces zich omkeren) en springen weer in de bus voor het korte ritje naar
Nitmiluk National Park, beter bekend als Katherine Gorge. Hier spenderen we de
hele middag. Er is een keuze om te gaan kanoën of om een boottochtje door de
gorge (kloof) te maken. Een derde en tevens gratis optie, is om gewoon een
beetje te relaxen. Ik kies deze laatste optie, samen met Alex(andra), een
Duitse, afgestudeerd in Engelse literatuur en daardoor met een briljant zuiver
Brits accent.
Op een handdoek in de schaduw proberen we de felle zon te
slim af te zijn. Het wil niet echt lukken en elk uur moeten we noodgedwongen
afkoeling zoeken in het zuivere water van de gorge. Het is zo warm dat ik bijna
mijn voetzolen verbrand aan de straatstenen.
Ik probeer wat te slapen, maar intelligent als het lichaam
is, heeft het besloten nu niet moe te zijn. Dit wordt liever bewaard tot
wanneer ik weer op creatieve wijze over een stoelachtige gevouwen ben.
In een vlaag van onverklaarbare energie, besluit ik een
kijkje te gaan nemen bij de lookout over de gorge. Omdat lopen in de hitte niet
bijzonder comfortabel is, besluit ik te gaan snelwandelen. Dit is uiteraard nog
oncomfortabeler, maar ik lig in ieder geval weer sneller in het water.
In recordtijd sta ik bovenaan een uit rots gehouwen trap en
kijk ik uit over de gorge. Het is een prima gorge. Na diverse verwennerij in
eerdere reisjes in dit land ben ik niet gebiologeerd door het decor, maar
zonder enige twijfel is het maken van een aantal foto’s gerechtvaardigd.
Met deze toeristische verplichting voldaan, ren ik weer naar
beneden, waarbij ik een koppel op leeftijd voor de tweede keer bijna omver
loop. Nu begrijp ik best dat sommige mensen wat rustiger aan lopen, maar deze
twee gaan wel belachelijk langzaam. Ik vermoed dat ze halverwege kamp opzetten
voor de overnachting.
Na nog een vrolijke zwempartij komt iedereen weer terug van
het vaartochtje, op zowel zelf aangedreven als volledig verzorgde wijze.
Schijnbaar uitgerust, doch zonder geslapen te hebben,
verruil ik mijn beschaduwde handdoek voor de be-airco-de martelstoel.
Op het kamp, dat er eigenlijk weer precies hetzelfde uitziet
als de overnachtingsplekken in Kakadu, wordt weer een prima avondmaaltijd
gegeten. ’s Avonds genieten we van de eerder ingeslagen producten en wordt er
kennis gemaakt met de nieuwe mensen in de groep.
Net voor het slapen gaan kijk ik nog eens omhoog, naar
wederom een heldere sterrennacht. Talloze constellaties fonkelen aan weerszijde
van de witte baan van de Melkweg. Na een tijdje vind ik de Southern Cross en
Orion. In mijn ooghoek zie ik een flits. Bliksem in de verte, boven Darwin. Een
voorbode van het regenseizoen en een magisch contrast.
_____________________________________________________________________
Het is half vijf en er dient opgestaan geworden. De nacht
was warm en we zijn al nat van het zweet voordat de zon op is. Het went.
Vandaag is een grote dag, maar daarmee niet direct een bijzonder interessante.
De belangrijkste gebeurtenis is het afleggen van 750 kilometers, dus daar
beginnen we na het ontbijt maar meteen aan.
Onderweg komen we hier en daar een bezienswaardigheid tegen.
Als eerste de Mataranka Thermal Pools, behorende bij het dorpje Mataranka met
500 inwoners. Het valt enigszins tegen. Ik verwachtte een natuurlijke warme
bron met whirlpool kwaliteiten waar we in het zonnetje zouden kunnen liggen
weken, terwijl rondborstige dames in bikini versnaperingen naar keuze zouden
distribueren. In plaats daarvan blijkt de bron een zwembad te zijn, inclusief
reling, hetgeen het avonturiergehalte niet ten goede komt. De zon wordt
geblokkeerd door een stuk regenwoud en de enige rondborstige dame in bikini is reisgenoot
Julia, die absoluut een traktatie voor het oog is, maar verder niet trakteerde
op versnaperingen.
Een andere, veel leukere stop is het metropool Daly Waters.
Dit bruisende centrum kent zo’n tien vaste inwoners. Na een belangrijke rol in
de geschiedenis van de luchtvaart, onder andere in de tweede wereldoorlog, is
het nu één van de dorpjes onderweg die uitsluitend dienst doet als tankstation,
hotel, restaurant en café. Het café maakt een leuke attractie. Sinds vele jaren
wordt iedereen daar uitgenodigd iets persoonlijks achter te laten. Alle muren
hangen dus vol met oude identiteitsbewijzen, geld, (röntgen)foto’s,
nummerplaten, vlaggen en kledingstukken. Boven de bar hangt een indrukwekkende
verzameling bh’s.
We eten lunch en drinken een paar biertjes. Voordat we Daly
Waters vaarwel zeggen, rijden we nog even langs de locale bezienswaardigheid;
een boom waar met veel fantasie een gekerfde ‘S’ in te zien is. Deze ‘S’
schijnt door John McDouall Stuart himself te zijn gekerfd.
John McDouall Stuart is de grootste held van de Australische
exploration. Hij was de eerste die een pad vond van Adelaide in het zuiden,
naar Darwin in het Noorden. Dit ging uiteraard niet vanzelf. Tussen deze twee
plaatsen ligt ruim 3000 kilometer bush en woestijn. Temperaturen kunnen oplopen
tot in de vijftig graden. Water is enorm schaars, schaduw soms kilometers weg.
Het is niet zo’n clichéwoestijn als de Sahara, maar één met lage, scherpe, soms
onbegaanbare vegetatie. Tel hierbij op een paar stammen chagrijnige Aborigines en
je begrijpt waarom Stuart 6 pogingen nodig had, verspreid over even zoveel
jaren.
Een tweetal keren werd hij aangevallen en teruggedreven door
vijandelijkheden van de locale bevolking, andere keren moest hij terug wegens
gebrek aan water, voedsel of hoefijzers. Hoewel het weinig heeft gescheeld,
heeft hij zichzelf en al zijn mannen altijd in leven kunnen houden, maar vier
jaar nadat hij eindelijk zijn missie had volbracht in 1862, stierf hij verzwakt
door zijn werkzaamheden, op 50 jarige leeftijd.
Naar hem is de Stuart Highway genoemd, die Adelaide met
Darwin verbindt, vrijwel exact langs de route die door Stuart is uitgestippeld.
En de tocht die hij maakte, maak ik nu andersom, zij het wat sneller, maar
dankzij Mitsubishi bijna in even waardeloos comfort.
Naarmate we zuidelijker komen, wordt de omgeving kaler en de
aarde roder. Zoals gezegd wordt het nooit helemaal kaal, er zijn altijd wel wat
struiken of bomen aanwezig, maar erg vruchtbaar ziet het er niet uit. Behalve
kaal is het ontzettend vlak. Er is dus eigenlijk helemaal niks te zien en dat
heeft dan weer een vreemd soort charme.
Af en toe zien we de trainrails van de Ghan. Deze rails
verbindt Adelaide met Darwin en loopt min of meer langs de Stuart Highway. Het
laatste stuk van de Ghan, van Alice Springs naar Darwin, is pas sinds 2004
klaar en in gebruik.
De Ghan dankt zijn naam aan zijn Afghaanse bouwers, die met
behulp van meegebrachte kamelen (eigenlijk dromedarissen) de ellende van de
woestijn trotseerden voor het bouwen van een treinverbinding. Deze ontwikkeling
is tevens de oorzaak van talrijke wilde kamelen die in centraal Australië de
natuurlijke balans verstoren. Ik heb er geen gezien onderweg, maar een paar van
mijn reisgenoten wel.
De weg is voornamelijk leeg. Zo af en toe is er eens een
tegenligger. Dit zijn meestal road trains; lange, grote vrachtwagencombinaties
die tot vier trailers lang kunnen zijn (ruim 50 meter).
Net onder Tennant Creek, een dorp met ruim 3000 inwoners,
waar we dezelfde, mogelijk ergere taferelen zien als in Katherine, is ons kamp;
Juno Horse Farm. Gebruikt als paardenkwekerij wordt de plaats niet meer, maar
hier en daar loopt er nog wel een verdwaald exemplaar rond. De populatie
insecten is een stuk groter. Als de vliegen zich rond zonsondergang
terugtrekken komt een keur aan ander klein gevleugelte en diens jagers op het
licht af. Reusachtige bidsprinkhanen vliegen in de ventilator en worden in
stukjes terug gezonden. Erg Animal Planet was de huntsman van acceptabele
grootte, die in één van de hoeken van de keuken hing. Toevallig keek ik net
toen hij/zij op indrukwekkende wijze een langs vliegende mot uit de lucht greep
en prepareerde voor vertering.
Later op de avond win ik op kundige wijze door middel van een
spelletje poker een monopoly aan lucifers. Phil blijkt een beter chauffeur dan
pokerspeler en ook de mooie Engelse Julia heeft het bluffen nog niet onder de
knie. René was wel een bekwame tegenstander, al zou het alleen maar zijn omdat
hij Nederlands is en deze verslaggeving dus kan lezen.
De nacht wordt doorgebracht in een swag. Dit is een soort
buitenhoes voor je slaapzak, met een matrasje erin, die je rond je heen kunt
dichtritsen. Op deze manier kun je overal onder de sterrennacht slapen, zelfs
met de lage temperaturen die in andere tijden van het jaar in de nacht bereikt
worden. Het is allemaal erg Ozzie en het slaapt fantastisch.
_____________________________________________________________________
Vandaag slapen we uit en het is al 6 uur wanneer we worden
gewekt. De zon staat al centimeters boven de horizon en er zit plots een gat in
de dag. Dat kan vandaag allemaal, want we hebben nog maar 500 kilometer te gaan
tot Alice Springs, met een leuke bezienswaardigheid onderweg.
Deze bezienswaardigheid zijn de Devils Marbles. Dit is een
kudde grote ovale keien graniet, die een enigszins verdwaalde indruk maken in
het vlakke, lege landschap. Ze zijn ontstaan door een combinatie van
vulkanische activiteit, gevolgd door vele miljoenen jaren van erosie.
Mocht dit allemaal wat te aannemelijk klinken, dan kun je
ook geloven dat er ooit een grote, boze slang over de aarde heen trok, en
daarmee het land vormde. Deze slang, ‘the rainbow serpent’, wordt er door
sommige mensen ook van verdacht Katherine Gorge, zoals boven beschreven, te
hebben geknutseld. Afijn, omdat slangen ook niet helemaal ongevoelig zijn voor
de biologische klok, heeft ze een stapel eieren gelegd en deze steenharde
eieren worden nu al geruime tijd onder toeristenvoeten uitgebroed, onder de schuilnaam
Devils Marbles.
We stoppen voor benzine bij Wycliffe Well, dat zichzelf tot
UFO hoofdstad van Australië heeft gedoopt. Aan de lopende band ziet de beperkte
genenpoel van het handjevol residenten ze hier vliegen en het tankstation is
een museum van krantenknipsels, papier-maché aliens en andere rariteiten.
Er dient ook geluncht te worden en dit gebeurt in de
bescheiden gebouwencollectie van Ti Tree. We maken wraps, die we tot ver boven
de eigenlijke capaciteit volstoppen met etenswaren.
Terwijl wij genoeglijk de wraps op ongemanierde wijze in de
mond vouwen, steekt plots een stevige wind de kop op. Op ongeveer twee meter
afstand ontstaat vanuit het niets een Willy Willy, ook wel Dust Devil genoemd.
De minitornado groeit al even snel in hoogte als het van ons weg beweegt. Na
een meter of twintig over het zand te hebben gereisd, waarbij de stofpilaar
ongeveer 8 meter hoog is geworden, verdwijnt het fenomeen net zo plots als het
ontstond.
We beginnen aan de wederopbouw. Het is verschrikkelijk.
Servetjes liggen op chaotische wijze op de grond en sommige wraps hebben
bladeren sla en andere garnering verloren. We besluiten uit respect voor de
laatste wensen van de ham en kaas sandwich die stoffig was geworden, onze reis
naar het Zuiden toch door te zetten. Mentaal ondersteund door poëtische
wijsheden van A. Hazes en J. Smit slepen we ons op trillende benen door de
onheilspellende hitte de bus in.
Kort voor het vallen van de avond rijden we door de
buitenwijken van Alice Springs. In tegenstelling tot wat we gewend zijn van
buitenwijken, is dit níet de plaats om te zoeken naar een goede
vastgoedinvestering. De verdroogde grasvelden zijn gevuld met ogenschijnlijk
onbezorgde Aborigines, die daar op semi-traditionele wijze leven.
In 40000 jaar tijd hebben Aborigines nog nooit een huis gebouwd.
Ten eerste, omdat het een nomadenvolk is, ten tweede omdat het gewoon altijd
lekker weer is. Bij een regenbui of regenseizoen zoek je gewoon een fijne grot
op, of je wordt klimaatneutraal gedoucht. Een implicatie van dit gebrek aan
behuizing, is dat ze ook nooit de vuilnisbak hebben ontwikkeld. Immers, waar
zet je zo’n ding neer? Duidelijk niet in de keuken of onder het bureau.
Zo komt het dat de buitenwijken van Alice Springs worden
gekenmerkt door een ring van afval, variërend van vele, vele lege
bierverpakkingen, tot autowrakken. Het is… kleurrijk, maar niet direct de
locatie voor een vakantiehuisje.
In de schemering komen we aan bij ons hostel. De groep zal
zich nu ongeveer in tweeën gaan splitsen. De ene helft vertrekt de volgende
ochtend voor een paar dagen Red Center en komt daarna weer terug naar Alice. De
andere helft, waaronder ik, zal twee dagen in Alice vertoeven, alvorens op een
laatste tour via het Red Center naar Adelaide te reizen.
Bij binnenkomst kijk ik direct in de lieve glimlach van
Véronique, mijn Frans-Canadese reisagente. Plannen om samen een stukje te
reizen konden helaas niet doorgaan, maar twee dagen Alice Springs, waar ze op
dat moment werkt zijn gelukkig wel gewaarborgd.
’s Avonds komt de gehele groep voor een laatste maal samen
in Saloon-Dining Bojangles, dé stek bij uitstek om uit te gaan. Het is een
geinige en drukke tent, waarbij de lokale bevolking, zoals het betaamt, al voor
het avondeten te dronken is om te lopen, laat staan dansen. Overal hangen
camera’s, die direct broadcasten op het Internet. Er is zelfs een online
service waarbij je geliefden op afstand met de creditcard drank voor je kunnen
betalen.
Ik eet de mixed grill. Een bord met kangaroo-, emu-,
buffel-, krokodil- en kamelenvlees staart mij provocerend aan. Dat kangaroo
prachtig vlees is, dat is al bekend. Emu blijkt ook niet slecht te zijn.
Krokodil is weg te werken. Bij buffel stel ik me al vraagtekens aan het culinaire
vermogen van de indianen die talloze generaties van die beesten hebben geleefd.
Na met bijzonder veel moeite en tegenzin kameel door mijn slokdarm gedwongen te
hebben, heb ik veel meer begrip voor kwade woestijnextremisten die uit afgunst
landen met fatsoenlijk eetbare dieren willen opblazen.
De avond wordt nacht en na een meervoud van glazen bier en
wijn en sociale activiteiten met Véro vind ik mijzelf in een comfortabel bed
van een koele kamer.
Alice Springs
Diep in de ochtend word ik wakker. Ik ga naar beneden, groet
Véro aan de tourdesk, (haar vrije dag was gecanceld en nu zat ze alweer vanaf
’s ochtends vroeg katerachtig op het werk) en ga naar een nabijgelegen Subway
voor ontbijt.
De hele dag zit ik eigenlijk voornamelijk bij de tour desk
op de bank, terwijl mijn kleren door een schraal wasmachine worden verzocht om
weer fris te gaan ruiken.
Als Véro pauze heeft lopen we een stukje door Alice, naar
onder meer een internettoko.
Alice Springs is de op één na grootste plaats in the
Northern Territory en het grootste in de wijde, wijde omgeving. Ondanks deze
statistiek zijn er toch maar zo’n 25000 mensen die Alice thuis noemen (met of
zonder huis). Het is dus een klein plaatsje en om eerlijk te zijn bevalt het me
de eerste dag niks.
Het is enorm warm. De lucht is dan weliswaar droog, maar de
veertig graden zijn we wel gepasseerd. Er is weinig gezelligs aan het plaatsje
en op de parkeerplaats van een supermarkt/slijterijcombinatie staan de
plaatselijke daklozen ons maar onvriendelijk aan te staren.
Afijn, na nog wat algemene ontspanning in het hostel gaan
Véro, Jackie (een Nederlandse) en ik dineren in een bijzonder schrale
Italiaanse eettent. Niet bijzonder lang daarna breng ik de nacht door.
_____________________________________________________________________
Vandaag heeft Véronique dan wel een vrije dag. Samen
verkennen we Alice Springs. Ze heeft er nog maar een week werken opzitten, dus
ook voor haar is er nog genoeg te verkennen.
In een getrainde toeristenvaart lopen we langs alle sights,
waar we een bijzonder talent blijken te bezitten om nergens voor te hoeven
betalen. Meestal is dit omdat uitbaters reisagentes graag te vriend houden,
soms omdat er niemand bij de kassa staat.
Zo nemen we een kijkje in het museum van the Royal Flying
Doctors. Zoals kennelijk wel meer plaatsen in ruraal Australië, beweert ook
Alice Springs de plaats te zijn waar the Flying Doctors zijn begonnen. Echter,
volgens Wikipedia was er pas in 1934 een basis in Alice, terwijl de eerste
service vanuit Cloncurry in Queensland vloog, in 1928. Afijn, dit wordt
misschien ook wel in de film verteld, maar die hebben we niet bekeken. Het is
in ieder geval een geinig museumpje om een kwartiertje rond te lopen.
Leuker vind ik het reptielencentrum, aan de andere kant van
de straat. Hier bekijken we hoe Australië’s giftigste en meest dodelijke slang,
de Taipan, een muis verorbert. Verder groeten we nog wat andere geinige
beestjes, zoals de Frilled Neck Lizard en de Thorny Devil. Twee geweldige
beestjes die ik helaas niet in het wild heb mogen ontwaren, hoewel daarop wel
een kans was (de Frilled Neck Lizard vind je met enige regelmaat in Kakadu, de
Thorny Devil meer in het midden van het land, aan de rand van de weg na een
beetje regen).
Dan gaan we naar the Alice Springs Baby Kangaroo Rescue
Center. Het komt er op neer dat een chronische PVDD stemmer en zijn vrouw,
doodgereden kangaroos controleren op verstopte Joey’s in hun buidel. Als ze er
één vinden nemen ze hem/haar mee naar huis, waar ze de rol van de moeder
overnemen, tot de kangaroo groot genoeg is om weer in het wild te worden
gedropt. Wanneer ze de Joeys zouden achterlaten, worden ze levend opgegeten
door de Wedge Tailed Eagles, een stuk gevleugelte waar ik later meer over
vertel.
Het grootbrengen van zo’n Joey is een dagtaak. Ze vereisen
continue aandacht en voeding en zeker wanneer ze jong zijn, zijn ze altijd bij je.
Deze mensen gaan zelfs met de minderjarige kangaroos naar bed. Het kost drie
keer zoveel moeite om een Joey in leven te houden dan een baby. Gelukkig zijn Joeys
een factor duizend keer zo lief en schattig, waardoor de opoffering graag wordt
gemaakt. Dit ervaren we zelf, wanneer we om de beurt een kwartier lang met Amy
in de armen zitten.
Ik vond koala’s knuffelen al uiterst schattig, maar Amy in
mijn armen was nog vele malen meer vertederend. Ik weet niet of ik na dit
hoogtepunt van schattigheid ooit mijn hart nog kan openen voor ordinaire
viervoeters als honden en katten. De tijd zal het leren…
Na met pijn en moeite afscheid te hebben genomen van Amy,
beklimmen we met McSalads en een fles wijn Anzac Hill voor de zonsondergang,
uitkijkend over de stad. Het is inmiddels behoorlijk bewolkt geworden, dus we
verwachten er niet veel van. We zijn dan ook aangenaam verrast wanneer het aan
de Westelijke horizon helder blijkt te zijn en het aanwezige wolkendek dit tot
de mooiste zonsondergang die ik ooit heb gezien maakt.
Met de zon zakt het peil in de wijnfles en terwijl de lucht
haar ware kleuren laat zien besluiten wij dat Alice Springs ook zijn goede
kanten heeft. We zien hoe de huizen verdwijnen in tinten van verduisterend vuur
tot alleen de lichtjes achter de gordijnen overblijven. De fles is leeg en het
is tijd om terug te lopen naar het hostel…
Tijdens een verfrissende zwempartij in het nabijgelegen
zwembad ontmoet ook een tweede fles wijn zijn lot. En na ook zelf opgedroogd te
zijn dringt het besef door dat de twee dagen in Alice Springs alweer voorbij
zijn. De volgende dag komt mijn zon op ten zuiden van Alice Springs.
Alice Springs naar Adelaide
Het is half vijf en in stilte verwijder ik me uit de dorm
room waar ik me op dat moment in bevind. Beneden aangekomen werp ik nog een
laatste blik op de nog lege tour desk, voordat ik mijn tassen mee naar buiten
neem. Daar wordt ik verenigd met de overgeblevenen van mijn medereizigers,
alsmede een flink aantal nieuwe.
Vicky, onze enthousiaste nieuwe gids checkt ons in. We
merken tot onze schrik dat de bus helemaal volgeboekt is. Sterker nog, bij één
meisje is er iets misgelopen en zij kan niet meer mee en moet drie dagen
wachten op de volgende tour. Het resultaat van de drukte is een verdere
comfortreductie, terwijl er al niet bijster veel was om te reduceren.
Het gezelschap telt 24 personen. Nieuw in de verzameling
zijn onder andere een extra Nederlander, Stefan, een Sloveense dame Živa en een meute Canadezen op
leeftijd. Tevens wordt vanaf nu een aanzienlijke hoeveelheid ruimte en zuurstof
verbruikt door een jeugdige Britse dame die in haar constante schreeuw om
aandacht haar beperking aan intellect maar moeilijk verborgen kan houden. Ach,
het is niet per definitie een onsympathiek persoon, hoewel een nominatie voor
de Nobelprijs voor de vriendelijkheid in haar geval nog fictiever zou zijn dan
de prijs zelf. Wel heeft ze vanaf heden een duidelijke invloed op de sfeer,
waarbij ik geregeld moeite heb niet te reageren op de verbluffende anekdotes
die op luide wijze haar omvangrijke lichaam verlaten.
Eén voorbeeldje geeft wellicht een voldoende beeld van de
situatie. Haar eerste autobiografische verhaal, nog voor zonsopkomst, betreft
een boottochtje ergens aan de Oostkust. Uit angst voor zeeziekte had ze
zeeziektepillen aangeschaft, wat op zich een wijze beslissing is. Aanzienlijk
minder wijs was haar simplistische gedachtegang om het zekere voor het onzekere
te nemen en in plaats van één pil, vier pillen te slikken. Haar verbazing dat
ze van het reisje niet veel had meegekregen en ook de aansluitende drie dagen
in een staat van chronisch slaapwandelen verkeerde, was nog groter dan zijzelf.
Omdat er die dag 800 kilometer afgelegd gaat worden en ik
vrees dat het beschreven verhaal noch haar laatste, noch haar meest beschamende
is, ben ik blij dat ik de iPod heb opgeladen. Ik vouw mijn ledematen over de
schare van handbagage en probeer mezelf vergeefs in een staat van Enigma
geïnduceerde hypnose te brengen.
Na zo’n 350 kilometer wordt de bloedcirculatie in mijn
loopgestel hersteld, als wij bij King’s Canyon de bus verlaten.
King’s Canyon schijnt een prachtige, indrukwekkende Canyon
te zijn, maar helaas mogen wij hem alleen van onderen bezichtigen. Wanneer de
temperatuur boven de 36 graden ligt, wordt de wandeling naar de top namelijk afgesloten.
Dit komt omdat er elk jaar weer heel domme mensen zijn die zonder water, hoed
en zonnebrandmiddel en een week na een open hartoperatie aan de kilometerslange
klim beginnen en vervolgens op mysterieuze wijze plots dood neervallen. Vanwege
dit kleine groepje individuen, die door regelgeving tegen natuurlijke selectie
worden beschermd, mogen wij dus niet naar boven. Een hele teleurstelling voor
mij en velen van mijn oude reisgezelschap. Temeer omdat het met 37 graden voor
ons helemaal niet meer zo warm is, na Kakadu te hebben meegemaakt. Vicky is niet
te overtuigen ons toch te laten gaan en wanneer mijn oog mijn oor volgt en valt
op de gewichtige vertelster van het zeeziektepillenavontuur, besluit ik dat ze
hiermee een zeer carrièreverantwoorde keuze heeft gemaakt.
Vrij snel zitten we weer in de bus, op weg naar één van de
beroemdste symbolen van Australië: Uluru, ook wel Ayers Rock genoemd, vernoemd
naar een oud-premier van South Australia. Wellicht overbodig, maar het betreft
hier dus die grote rode rots (monoliet), die zo geinig van kleur verandert
naarmate de zon zijn gebruikelijk rondje aarde jogt.
Het is een bijzondere busreis. Sta mij toe een stuk uit
eigen werk voor te dragen, wat met moeite geschreven is in de volle bus, op het
hobbelige wegdek:
De Mount Connor Deceptie
Na uren van cardiologische
stabiliteit sloegen onze harten een slag over toen Martine “Uluru” riep, met
een vinger wijzend naar een discontinuïteit aan de horizon. Vervuld van
‘de-aanhouder-wint-emoties’ fixeerden wij onze blikken op de berg in de verte
die met het glooien van de weg op de horizon dobberde, als ware het een zon met
pleinvrees. Toen na een half uur deze metaforische angst overwonnen was en het
massief zonder obstructie van flora het netvlies vulde, kwam de bus tot
stilstand.
De bus stroomde leeg alsof er
achterin brand was uitgebroken en buiten werd het geologische fenomeen
strategisch onder camerakruisvuur genomen.
Een spirituele spanning hing
ongesneden in de lucht. “Ooh’s”, “aah’s” en andere klinkers echoden op de
telelenzen en de oudste Canadese post-pensioen-avonturier kon een orgasmisch
kreetje niet onderdrukken. Dit tot verwondering van haar echtgenoot, die dergelijke
vocalen van plezier sinds de eerste golfoorlog niet meer had waargenomen.
Nadat de geheugenkaarten een
ruime hoeveelheid vrijheid was afgenomen, kropen we uitermate voldaan weer
terug in de bescheiden schappen van de bus. Toen gids Vicky vervolgens breed
grijnzend informeerde wie van ons wel eens een ansichtkaart van Uluru had
gezien, maakte de geur van vreugdezweet plaats voor een walm van onraad.
Het bleek dat ons
toeristenritueel zich niet rondom Uluru, maar rondom Mount Connor had
afgespeeld. Als een stel zelfingenomen milieuactivisten na één milde winter
hadden wij de conclusie getrokken die we wilden trekken. De prijs voor deze
roekeloze daad: slijtage aan foto- en filmapparatuur en een misplaatst erotisch
hoogtepunt.
Desillusie was de grootste gemene
deler van ons aller gemoedstoestand. Alsof je na een nacht van beestachtige
seks in de ochtend ontdekt dat de ontvangende dame je verloren halfzus is, die
pa vergeten was te vermelden.
Desalniettemin; een puike rots!
Bovenstaand verhaal kent twee doeleinden. Ten eerste vertelt
het wat over Uluru look-alike Mount Connor. Ten tweede geeft het aan hoe saai
het soms in een overvolle bus van onkundige makelij kan zijn.
Later is het dan wel zover. Een rots in de verte wordt, na
vergelijking met foto’s in de Lonely Planet, tot de echte Uluru gedoopt en
langzaam komen we dichterbij. Zo’n twintig kilometer voor Uluru nemen we de
afslag naar Yulara, het lokale resort-dorp voor toeristen, alwaar wij voor de
komende twee nachten kamp opslaan.
We lopen een lokale duin van rood zand op en zien Uluru’s
kleur veranderen terwijl de zon ondergaat achter Kata Tjuta (The Olgas), welke
deze laatste omtovert in een welhaast getekende silhouet tegen een roodgele
achtergrond.
Na de avondmaaltijd bespreek ik met Stefan, een student
geneeskunde, de Nederlandse politiek, voor het eerst in vele maanden. Ondanks
dat we beide, vanwege ons langdurige verblijf aan de andere kant van de
planeet, maar amper op de hoogte zijn van het doen en laten van het nieuwe
kabinet, is het ouderwets Nederlands afgeven op de heren in Den Haag een
plezier. De goon die we onderwijl tot ons nemen geeft alleen maar meer stof tot
zeiken.
Wanneer we alle Nederlandse problemen onderling hebben
opgelost, kruipen we in onze swags voor een korte nacht.
_____________________________________________________________________
Als de klok vier uur slaat rollen we de swags weer op. Het
was de moeite van het uitrollen bijna niet waard. Bij wijze van
middernachtsnack dwing ik nog wat van die ellendige bejamde toast naar binnen
en al snel rijden we recht op Uluru af, terwijl achter ons de eerste stralen de
naderende zon verraden.
We rijden naar de zonsopganguitkijk. Naarmate we dichterbij
komen, slibt de weg dicht met toeristen en bijbehorende vervoersmiddelen.
Tientallen luxe touringbussen vol bejaarden blokkeren het uitzicht. Lakeitjes
met ontbijtdienbladen steken roekeloos de weg over om de aftakelenden nederig
van dienst te zijn. Dichterbij gekomen zijn de bussen nog hetzelfde, maar nu
gevuld met massa’s Aziaten die in blije cameratrance fanatiek elke landgenoot fotograferen.
Een volledig zinloze actie, want zo zien alle foto’s er natuurlijk volkomen
hetzelfde uit. Samenvattend kan er gesteld worden dat het een chaos van auto’s,
bussen en mensen is. Honderden toeristen staan nog voor 5 uur in het midden van
het land, vele honderden kilometers verwijderd van een goede
woningbouwvereniging. Nu had ik natuurlijk niet verwacht hier alleen te zijn,
maar hierop had ik ook niet gerekend, al is het alleen maar omdat ik niet tot
zoveel kan tellen.
Hoe dan ook, door wat kinderen en bejaarden opzij te
schuiven waden wij ons een weg naar een fatsoenlijk punt. We staan (en daarmee
bedoel ik iedereen) tussen de opkomende zon en de steen, om op die manier de
kleur van de rots te kunnen zien veranderen. Het is een geinig gezicht.
Verwacht geen Philips Ambilight effecten, maar binnen een half uurtje is er
best een aardig tintverloop, van donkerbruin naar lichtoranje. Goede foto’s
nemen is onmogelijk, want ik sta te dichtbij om het hele kreng op de plaat te
krijgen en wanneer ik een stukje terug zou lopen, beschiet ik pardoes de
populatie van een klein land.
Het is licht en iedereen gaat naar de volgende halte; Uluru
zelf. De laatste kilometer wordt in colonne afgelegd.
Onder aan de rots aangekomen worden we voor de keuze gesteld
tussen een rondje er rond heen lopen, of naar boven klimmen. Uiteraard is het
naar boven klimmen vele malen gaver en mooier. Helaas vinden de Aborigines dat
je daarmee geen respect voor hen en hun vreemde verhaaltjes toont. Er moet dus
een keuze worden gemaakt tussen het maken van een fantastische klim en netjes
zijn, door te doen alsof je respect hebt voor een klomp steen en de mensen die
voor die klomp steen zorgen door er zo af en toe een liedje tegen te zingen.
Om te voorkomen dat de oorspronkelijke bewoners van het land
straks met een pruillip en de armen over elkaar in een hoekje gaan zitten
mokken, besluit ik met lichte tegenzin om confrontatie en controverse te
vermijden. En terwijl ik begin aan mijn rondje, kijk ik met enige jaloezie naar
de polonaise van mensen die de berg op klimt, op weg naar een prachtig
uitzicht.
Het rondje is ook wel geinig. Het is zo’n 9,4 kilometer, dus
je bent er even mee bezig. Van dichtbij is Uluru niet meer zo glad en sensueel
als van veraf. Reusachtige kraters en gleuven tekenen de beroemde rots en vormen
daarmee de granietcellulitis die in de ansichtkaartjes wordt weggeschminkt. Kennelijk
is er de laatste jaren niet hard genoeg gezongen.
Na een uur of twee zijn we rond en weer terug bij het busje,
waar we worden verwelkomd met cake en sinaasappels. Ik ben nog een beetje
duizelig van de ronde, maar met wat extra moeite krijg ik de beschikbaar
gestelde cake en sinaasappel toch zonder knoeien in mijn mond.
Gezamenlijk lopen we naar het nabijgelegen cultureel
centrum.
Vrijwel alle culturele centra in Australië zijn hetzelfde.
Uiteraard gaan ze allemaal over Aboriginal dingen, want de Australiërs zelf
hebben als inwoners van een prefab nieuwbouwland natuurlijk nog geen cultuur.
De inhoud is voor iemand die geen antropoloog of diep geïnteresseerde is vrij
saai. Er staan stapels borden met een taaltje dat nog vreemder is dan Fins en
daarmee worden verzinsels uit de oudheid verteld. Dan hangt er nog een
uitgebreide collectie didgeridoos en boomerangs aan de muren en met nog een
collectebus en souvenirshop is je cultureel centrum compleet.
Dit centrum heeft nog een extra feature. Een heuse oude Aboriginal
man staat in zijn eigen taaltje een verhaaltje te mompelen. Gelukkig voor ons
staat er ook een Engelssprekende Australiër naast in een interessant ranger
uniform die net doet alsof hij de verteller kan verstaan en vervolgens ons
uitlegt waar de man het over heeft. Dit gaat ongeveer zo:
De oude man mompelt en neuriet wat, maakt soms een beweging
met zijn tong of lippen waardoor een iets ander geluid ten gehore komt en
beweegt een enkele keer enthousiast zijn armen. Het is een rasverteller en als
we een stoel hadden gehad hadden we op het puntje gezeten.
Na een minuut of vier, al lijken het er wel veertig, stopt
de man met zijn vreemde geluiden en kijkt hij de ranger verwachtingsvol aan.
Dit is zijn cue en je kunt zien dat ze hierop geoefend hebben. De ranger
‘vertaalt’ daarop de minutenlange monoloog door ons te vertellen dat het
zoontje van stamhoofd Djoetieboetjorgopjloerkjakja in de verte een slang zag.
Wat een compact taaltje is het toch, dat Engels.
De Aboriginal man begint aan een nieuwe discontinue
uitademing en na een aantal minuten neemt de ranger het wederom over. Om de
boel wat geloofwaardiger te houden, doet hij net alsof iets hem niet duidelijk
is en linguïstisch als hij is, vraagt hij de oude man ‘Pjlkjsriaaa?’, waarop de
oude man bevestigend ‘bjroequiplab’ slaakt. Zichtbaar tevreden met deze nieuwe
informatie vertelt de ranger dat de slang heel groot was.
Dit uitermate vermoeiende proces zien we zo een kwartiertje
aan. De beide heren blokkeren het bord waar het hele verhaal in een paar zinnen
staat opgeschreven, dus wanneer je wil weten hoe het afloopt met die
gevaarlijke slang, ben je gedwongen de komende uren te blijven staan. Gelukkig
is het verhaal absoluut niet spannend en vluchten we richting een bak koffie
bij de souvenirwinkel.
Dolgelukkig met mijn koffie kijk ik nog eens naar Uluru.
Absoluut een mooi stuk steen en heel bijzonder in zijn omgeving. Toch heeft het
mij niet zo kunnen betoveren zoals veel anderen dat hebben.
Misschien ligt dat aan de honderden Japanners die er voortdurend
met hun vieze voeten over heen lopen. Er schijnt een lijst van bergen te zijn die
een goede Japanner beklommen dient te hebben en op deze lijst staat Uluru bovenaan.
Dit is dan ook de reden dat er dagelijks directe vluchten tussen Tokyo en
Yulara zijn, om Boeings tegelijk in een dagtripje tot betere Japanner te maken.
Het kan ook liggen aan het feit dat mijn verwachtingen erg
hoog waren, dankzij alle verhalen van reizigers die wel gebiologeerd waren bij
het aanblik van de 348 meter hoge steen.
Maar meest waarschijnlijk ligt het aan het feit dat ik me
niet kan laten vangen in een waan van spiritualiteit. Als ik een oude tempel
zie, dan verbaas ik me over hoe knap dat is gebouwd. Als ik een bedevaartsoord
zie, zie ik mogelijkheden voor een goedlopend café op de route. Als je mij de
plaats laat zien waar volgens hele volksstammen Jezus, Mohammed, Boeddha, Mozes
en Pino gebroederlijk gearmd uit een gat in de grond omhoog zijn gekomen, vraag
ik me af of dat gat niet gevaarlijk is voor spelende kinderen. En als je mij
een reusachtige monoliet in een kale, platte, hete omgeving laat zien, dan zie
ik een geweldig natuurverschijnsel en dan verbaas ik me over hoe mensen hier
duizenden jaren vrijwel zonder water hebben kunnen overleven. Ik verbaas me
echter niet over het feit dat die mensen uit verveling verhalen zijn gaan
verzinnen over opperwezens en magische mollen die houtwormpje spelen in de
grote kei waar ze dinsdags omheen dansen. Laat staan dat mijn leven een diepere
betekenis krijgt bij het horen van die verhalen. Doe me dan maar een fijne film
of een goed boek.
Na een welverdiende lunch rijden we 25 kilometer naar Kata
Tjuta (betekent ‘veel hoofden’ in het Pintjantjajara). Kata Tjuta zijn 36 grote
stenen. Deze komen vaak een stuk hoger dan Uluru, tot een maximale hoogte van
546 meter. Het is een stuk minder bekend dan Uluru. Eén van de redenen is dat
professionele fotografie er verboden is en broer Uluru natuurlijk altijd
zelfzuchtig met de eer gaat strijken. Deze relatieve onbekendheid resulteert in
een relatieve absentie van toeristen en een bijzonder aangename verrassing van
natuurpracht.
We lopen Walpa Gorge binnen, tussen wat de twee hoogste
stenen lijken. Aan beide kanten steil, rood steen. Naarmate we verder lopen
komen de muren steeds dichterbij, tot ze uiteindelijk voor ons samenkomen.
Inmiddels drijven er stapels schapenwolkjes door de blauwe lucht, hetgeen het
beeld alleen maar mooier maakt. Wanneer je je omdraait en naar de ingang van de
gorge kijkt zie je in een gedwongen tunnelvisie hoe de glooiende leegte in een
horizontale lijn met de wolkenserie verbonden wordt. De afstand die je ziet is
onvoorstelbaar en door de rotsmuren enerzijds en de witte wolkjes in
streepjescodemotief anderzijds, lijkt deze afstand nog veel groter.
Mijn tip voor als je daar in de omgeving nog eens gaat
kijken: minder tijd rond Uluru en meer tijd rond Kata Tjuta. Helaas hebben we
maar tijd voor deze ene wandeling, want de zon gaat alweer bijna onder.
Mooi op tijd rijden we de zonsondergangparkeerplaats op en
scoren we een tafeltje met uitzicht op Uluru. Op onze ruggen voelen we de
laatste zonnestralen, regelmatig onderbroken doordat een grote bus ons in zijn
schaduw werpt. Het duurt niet lang of iedereen van de morgen heeft zich weer
bij ons gevoegd. Met honderden staan we te wachten tot de kleuren weer gaan
veranderen.
Om het proces wat te veraangenamen drinken we goedkope
champagne uit aluminium mokken. Vlakbij staat een bus-James een uitgebreide
variatie aan zeefruit te barbecueën, terwijl aan de andere kant kaviaar op
toastjes wordt verspreid. Je kunt zo’n tochtje Red Center zo duur maken als je
zelf wil.
Door een wolk voor de zon wordt Uluru korte tijd zwart, een
zeer bijzonder gezicht. Daarna begint de langzame transformatie over
verschillende tinten rood en oranje. Het heeft absoluut iets. Zodra de kleur heeft
belooft om weer een half etmaal stabiel te blijven, lopen we door het intens
rode zand weer naar de bus.
’s Avonds wordt er bij het eten opgebiecht hoeveel honderden
foto’s iedereen van één enkel stuk steen heeft gemaakt en na het eten wordt er
onder het genot van wat wijn nog wat shithead gespeeld, een populair
kaartspelletje onder backpackers. Ik haal met behulp van de Sloveense Živa mijn Slavische talen nog wat
op en kruip vervolgens rond een uur of tien tevreden in mijn swag.
_____________________________________________________________________
Het is alweer vier uur en daarmee tijd om op te staan. Half
slapend begin ik weer aan het ritueel van inpakken en toast verteren. Niet veel
later vouw ik me weer in de bus, voor 750 oncomfortabele kilometers.
Al snel (na een uur of drie) passeren we de grens. Niet
langer zijn we in the Northern Territory, maar in South Australia, waar de
meeste Duitsers van het land wonen en waar tevens de meeste seriemoordenaars
ter wereld vandaan komen. Toeval?
Het landschap is langzaam aan het veranderen. Het wordt nog
kaler en platter, maar blijft rood. In de verte aan de rechterkant slenteren
twee Willy Willy’s. Valkbij aan de linkerkant is een groepje Wedge Tailed
Eagles een aangereden kangaroo aan het verorberen. De Wedge Tailed Eagle is de
grootste roofvogel van Australia en schijnbaar de op één na grootste van de
wereld (na de Amerikaanse Condor). Zijn vleugelwijdte loopt op tot tweeënhalve
meter. Je ziet ze in grote getalen langs de weg, omdat daar in grote getalen
kangaroos en emus worden stukgereden. Het exemplaar waar ze zich nu op voeden
is momenteel gereduceerd tot een ruggengraat en een stukje staart. Wanneer we
vlakbij zijn nemen de vogels de vleugels. Dit gaat nog wel eens fout. Opstijgen
met zo’n lichaam is een sierlijk, maar traag proces en daarmee zit de Wedge
Tailed Eagle zelf ook in de roadkill risicogroep.
Na een paar foto’s van de vogels gemaakt te hebben rijden we
weer verder. In de verte trilt de warme lucht, waardoor het lijkt alsof we op
een grote grondspiegel afrijden.
Tegen het einde van de dag nemen we een kijkje bij de
Breakaways, net ten Noorden van Cooper Pedy. Lang, lang geleden was ongeveer
een derde van Australië bedekt met oceaan. De Breakaways is een stukje oude
oceaanbodem, die je vanaf het voormalige strand kunt bekijken. Je kijkt dus uit
over een immens dal bespikkeld met witte en rode heuvels. Het is een
indrukwekkend gezicht en dus ook geen toeval dat het de filmlocatie is geweest
voor vele films, zoals Mad Max 3, Red Planet en Pitch Black.
We dalen af en rijden een stukje door de stof van de
Breakaways. Na een tijdje komen we aan bij het langste hek ter wereld; the Dog
Fence (of Dingo Fence). Dit hek, 5300 kilometer lang, scheidt een immens stuk
zuid oost Australië af. Hier kun je dan, sinds 1880, veilig schapen houden,
zonder dat de dingo’s aan ze komen knabbelen.
Achter het hek ligt the Moon Plain, waar het vol ligt met
maansteen.
Niet veel later rijden we Cooper Pedy binnen. Cooper Pedy is
een heel bijzonder plaatsje. Het is gebouwd in het midden van ’s werelds
grootste voorraad opaal. Dit is dan ook waar het dorpje om draait. Mensen gaan
er heen om hun geluk te beproeven. Als je zestien jaar of ouder bent, kun je
een stukje grond kopen en daar gaan graven op zoek naar opaal. Als je geluk
hebt, vind je een stuk waar je 80000 dollar voor vangt, als je pech hebt, ga je
hartstikke dood omdat je tunnel instort. Het is een bijzonder gevaarlijk leven
en dat is te merken aan het dorpje.
Cooper Pedy is vrijwel wetloos. Elk gebouw daar, van
postkantoor tot supermarkt is wel eens opgeblazen door een dronken mijner, want
iedereen loopt er met dynamiet rond.
Niemand weet precies hoeveel mensen er wonen. Volgens de
belastingdienst 200, volgens de post 4000 en er zijn 47 nationaliteiten
vertegenwoordigd, geluk is immers afkomstonafhankelijk.
Het meest bijzondere aan Cooper Pedy is nog wel de
architectuur, of liever; het gebrek hieraan. De helft van alle inwoners leeft
onder de grond. Dit was vroeger de enige manier om de extreme temperaturen te
trotseren; tussen bijna 50 graden op een zomermiddag en stevige vorst in een
winternacht. Voor de rest geeft het plaatsje een redelijk smerige indruk.
Afgedankte mijnmachines liggen her en der en de huizen die niet ondergronds
zijn, zijn soms mooi, maar meestal roestende hutten. Het sfeertje heeft echter
wel wat.
We krijgen een tour door het opaalmuseum, waar we door de
gangen van een oude mijn lopen, een opaalader zien liggen en tenslotte het spul
kunnen kopen, voor prijzen tussen een tientje en een halve ton.
Voor het eten gaan we nog even ‘noodlen’: met de hand zoeken
naar opaal in een braakliggend veldje in het dorp. Eén van de meiden vindt een
klein stukje, ik alleen een stuk kwarts.
’s Avonds drinken we wat in de ondergrondse bar, iets waar
ik natuurlijk wel aan gewend ben. De ruige mijnwerkers zijn weer grenzeloos
gelukkig met de nieuw binnengebrachte vrouwen en doen hun uiterste best om
indruk te maken met Griekse danspasjes en gratis drankjes. De ongeschoren,
ongewassen en volgevreten verschijning van de meesten helpt ze natuurlijk niet.
Toch zijn er verhalen van onschuldige Duitse Helga’s die er verliefd zijn
geworden en er jaren hebben gewoond, op een dag rijden van de bewoonde wereld.
Na een paar pilsjes is het tijd voor de overnachting in een
uitgehouwen hostel.
_____________________________________________________________________
Om 5 uur stap ik de grot uit en de kou in. Er waait een
behoorlijk frisse wind. Vandaag staat er weer een lange rit van 700 kilometer
op het programma. Op zich geen pretje natuurlijk, maar de herverdeling van de
stoelen veraangenaamt dit aanzienlijk. Alex, mijn Duitse busbuurvrouw heeft de
twee stoelen achter de bestuurdersstoel weten te bemachtigen. Vanaf nu reis ik
met beenruimte en uitzicht door de voorruit. Het leven ziet er plots veel
mooier uit en ik had al niet te klagen over mijn levenskwaliteit als
Australië-toerist. Bij de opkomende zon verlaten we Coober Pedy.
Terwijl de kilometers geleidelijk achter ons worden gelegd,
verschijnen er steeds meer bomen in het kale landschap. Echt vruchtbaar oogt
het geheel nog steeds niet, maar het is merkbaar dat we langzaam schapenland
inrijden. Het dingohek zijn we al gepasseerd, maar sinds zijn bouw in 1880 is
regen steeds zeldzamer geworden, waardoor de schaapgeïnduceerde
vruchtbaarheidsgrens honderden kilometers naar het zuiden is verschoven.
Na een uur of drie gereden te hebben pauzeren we bij Lake
Hart. Dit is één van de vele salt lakes die South Australia rijk is en de
eerste die ik ooit heb gezien. We steken de Ghan over en stappen op het ‘meer’,
dat niks meer is dan een reusachtige witte zoutkorst die in honingraatstructuur
gebarsten is. Elke stap die je zet klinkt alsof je door de ribbelchips loopt.
De witte vlakte reikt zover het oog kan kijken, het is echter niet verstandig
om te ver door te lopen, want verderop gebruikt het leger de vlakte om
explosieven te testen.
Ik maak nog wat foto’s met de Koreanen en dan verruilen we
het witte zout weer voor de rode aarde. Een indrukwekkend fenomeen, die salt
lakes. De laatste restjes van de prehistorische oceaan.
Verderop vinden we een flinke Sand Goanna langs de rand van
de weg. Vicky en ik proberen hem te vangen, zij met haar handen en ik met mijn
camera. Helaas faleb we beide jammerlijk. De Goanna rent op indrukwekkende
wijze op de achterpoten met een verbazingwekkende snelheid weg. Wij blijven
beteuterd achter, met slechts de staart van het beest in een hoekje van de
foto.
Nog wat later rijden we langs het plaatsje Woomera. Dit is een
gehucht dat naamsbekendheid heeft gekregen door het militaire testterrein
ernaast, the Woomera Prohibited Area, dat met een oppervlakte gelijk aan die
van Engeland de grootste ter wereld is. Vanaf hier wordt er sporadisch wat de
ruimte in geschoten, maar de plek is beruchter door zijn rol als testgrond voor
nucleaire wapens. Sinds de jaren vijftig zijn er zes atoombommen tot
ontploffing gebracht. De heren autoriteiten waren alleen vergeten de locale
Aboriginal bevolking hierover een memo te sturen…
Het plaatsje staat dus niet echt het symbool voor gelijke
mensenrechten. Ook niet omdat het tot voor kort ook de plek was waar Australië
zijn asielzoekers bewaarde.
We rijden verder. De bomen hebben ons weer even verlaten,
maar ter compensatie zien we hier en daar een stukje salt lake. Sommige van die
meren hebben een beetje water in zich, wat resulteert in prachtige kleuren,
alles tussen geel en paars in. Ook de Ghan laat zichzelf hier en daar zien en
zo waar steekt daar mijn eerste wilde emu over. Er zullen er nog vele volgen.
En dan, plots, zijn wij weer in de bewoonde wereld. Port
Augusta heet ons welkom met een blik op de oceaan, of eigenlijk de Spencer
Gulf, die verbazend ver het land binnendringt. Met 13000 inwoners voelt het
alsof we een bruisende metropool binnen zijn gereden, hoewel we na de eerste
schokkende vijf minuten wel door beginnen te krijgen dat het nogal een saai
stadje is. Hoe dan ook, het is goed genoeg voor de lunch, in een
aller-lieflijkst parkje met speeltuin.
Port Augusta ligt 309 kilometer boven Adelaide, maar het is
voor ons het einde van de Stuart Highway. Vanaf nu gaan we een stukje naar het
noordoosten, de Flinders Ranges in. Daar zullen we de komende dag doorbrengen,
alvorens met binnenweggetjes de laatste zeshonderd kilometer naar Adelaide af
te leggen.
De Flinders Ranges is één van de oudste bergketens ter
wereld en de grootste van Australië (niet de hoogste, het hoogste punt van de
Flinders Ranges is slechts 1170 meter, terwijl de hoogste berg van Australië
Mount Kosciuszko is in de Snowy Mountains met 2228 meter hoogte).
We rijden door de heuvels waar asfalt en sfeervolle
onverharde wegen elkaar afwisselen. De omgeving is prachtig. Plots staat het
vol met bomen en zelfs gras en overal waar je kijkt zie je wilde kangaroos en
emus. De paar dorpjes waar we doorheen rijden zien er authentiek uit en ademen
pure gezelligheid. Dit is zeer zeker een mooie omgeving om in te wonen.
De eerste stop is een grot met Aboriginal tekeningen. Grot
blijkt een beetje overdreven te zijn, het is eigenlijk gewoon een inhammetje in
een rots waar wat strepen op zijn getamponneerd. Volgens Vicky is de plek als
klaslokaal gebruikt.
Wat ik dan weer interessanter vind is de zeldzame Yellow
Footed Rock Wallaby die we zien langs springen. Rock Wallabies zijn erg cool,
omdat ze met enorme snelheid en precisie door de rotsen heen springen. Geen
berggeit die daar mee kan concurreren.
In het laatste stukje tussen de ‘grot’ en etappe-eindpunt
Rawnsley Park rijden we langs een soort dijkje die zich aan onze linkerkant
bevindt. Vlak voor de bus zien we een paar Euros, een plaatselijk merk
kangaroo. Het betreft moeder en kind. Moeder doet wat ze altijd doet en hopt
vlak voor de bus zorgeloos de weg over. Kind besluit zich uit te sloven en
springt vanaf het dijkje met een reusachtige sprong praktisch over de bus heen.
Een applausje waard.
Even later komen we aan op de camping Rawnsley Park. We
hebben geen kangaroos of emus aangereden, al scheelde dat zo af en toe niet
veel. Bijzonder intelligent zijn die beesten niet.
Voor zonsondergang rennen we snel de heuvel op. Het uitzicht
is absoluut mooi, hoewel de zonsondergang zelf nogal tegenvalt. Het wekt in
ieder geval de eetlust op.
Terug beneden aangekomen heeft Vicky met wat hulp weer een
prachtige maaltijd bereid. We eten en drinken wat en sluiten de avond af met
een hilarisch potje Pictionary.
_____________________________________________________________________
Vandaag mogen we maar liefst tot zes uur in bed blijven
liggen. Het was een koude nacht, maar het begint langzaam weer op te warmen. We
hoeven vandaag niet ver te rijden, dus hebben we meer tijd om van de omgeving
te genieten.
Na een korte rit staan we aan de voet van de 941 meter hoge
Mount Ohlssen-Bagge. Een stevige klim van 2,5 kilometer staat tussen ons en een
werelds uitzicht over de Wilpena Pound en goedgemutst en dito geluimd beginnen
we aan de tocht.
Na een klein uurtje staan we met een subgroepje boven. Velen
zijn nog onderweg en sommigen zijn halverwege afgehaakt. Het uitzicht is
fantastisch. De berg heeft op de top the Wilpena Pound; een soort krater
(hoewel niet vulkanisch). Deze natuurlijke kuil werd vroeger gebruikt om
schapen in te bewaren, die konden immers door de steile wanden niet ontsnappen.
Het is behoorlijk groot; een indrukwekkend gezicht.
De andere kant op kijkend zie je tot aan de horizon de
heuvels en rotspartijen van de Flinders Ranges. Het prachtige uitzicht doet me
een beetje denken aan Frankrijk.
De wind op de top zorgt voor een aangename verkoeling en ik
besluit wat rond te klimmen. Geruime tijd vermaak ik me met foto’s maken in
pogingen tot creativiteit. Ik kom een schattig salamandertje tegen die
vriendelijk voor de foto poseert en klim nog wat over en door de rotsen. Na wat
leuke plaatjes besluit ik weer terug naar beneden te gaan.
Vreemd genoeg heb ik een plotse vlaag van energie die mij
naar beneden doet rennen in plaats van lopen. Hier en daar is het nogal steil,
dus moet er soms omwille van gezondheidsconservatie wat vreemd gesprongen
worden, maar het gaat allemaal lekker vlotjes. Om niet al te snel beneden aan
te komen laat ik me door allerhande zaken afleiden. Zo wacht ik een tijdje bij
een spinnenhol om te kijken of er wat engs uitkomt en achtervolg ik een echidna
die zich met doodsangsten onder een steen probeert te graven.
Weer beneden beloon ik mezelf voor de sportieve prestatie
met een koud biertje en er wordt bijzonder rijkelijk geluncht. Een goede
afsluiting van een geweldige klim.
Na de lunch hebben we 130 kilometer te gaan. Op zich niet
veel, maar het is een scenische route waar niet al te snel gereden kan worden.
Des te beter, want dan kunnen we beter van het uitzicht genieten. Rond ons heen
zijn weer enorme hoeveelheden emus en kangaroos. Binnen korte tijd vinden we zowel
een Bearded Dragon als een Shingleback Lizard langs de kant van de weg. Beide
worden door Vicky gevangen en door ons geaaid en gefotografeerd.
De Bearded Dragon heeft allemaal kleine stekeltjes rondom
zijn hals die als het ware een beetje op een baard lijken. Wanneer hij
chagrijnig wordt, doorgaans wanneer een gids hem op de arm legt, zet hij zijn
baard op ter vergeefse verdediging en intimidatie.
De Shingleback Lizard is nog grappiger. Zijn superkracht van
levensverdediging is een verhoogde kennis van statistiek. Zijn kop en staart
lijken vanaf een afstandje precies op elkaar en zelfs aan de poten kun je niet
zien in welke richting het voedsel door het lichaam gaat. Door deze symmetrie
hoopt de Shingleback Lizard dat een aanval van bijvoorbeeld een roofvogel
slechts de staart verwond, in plaats van het hoofd. Die komt er wel…
Als we een stukje verder door een kloof rijden stoppen we
bij een steile rotswand. Hier leeft een groep Yellow Footed Rock Wallabies. Hun
camouflage is vrij goed, maar na een tijdje oefenen kunnen we er toch
verschillende zien. Mijn camera laat me weer eens in de steek en fatsoenlijke
foto’s blijven uit.
Nog iets later rijden we de Flinders Ranges helaas weer uit.
De overgang is ontzettend abrupt. Opeens is het decor veranderd van
heuvelachtig en vol van flora en fauna tot leeg, kaal en plat.
Al snel rijden we Parachilna binnen. Dit is een plaatsje
waar maar liefst vijf mensen wonen. Wel is er een hostel en een kroeg, zodat
groepjes toeristen en road train chauffeurs de populatie al snel verveelvoudigen.
Langs Parachilna loopt een spoorlijn waar de langste trein
met enkele locomotief ter wereld rijdt, met 2.5 kilometer lengte. Op het kleine
perron maken we wat geinige silhouetfoto’s tegen de ondergaande zon. Daar waar
de zon ondergaat is het onvoorstelbaar plat, terwijl aan de andere kant de
omtrek van de Flinders Ranges de horizon siert.
We eten die avond een mixed grill van kangaroo, emu en
kameel. Dit keer zit de kameel in een worst gedraaid zodat hij makkelijker
ingebracht kan worden, maar het blijft slecht vlees.
Gedurende de emu burger kondigt een kleine aardbeving de
komst van de trein aan. Het is het hoogtepunt van het leven in Parachilna en
dat tweemaal daags. Omdat je de enige bezienswaardigheid van het dorp toch niet
aan jezelf voorbij mag laten gaan stormen we naar buiten om het schouwspel te
bewonderen.
Tweeënhalve kilometer trein is behoorlijk saai. Na de eerste
honderd meter verandert er eigenlijk verdacht weinig. Afijn, we willen ook niet
onbeleefd zijn, dus we blijven nog ruim vijf minuten tot de bak herrie en oud
ijzer voorbij is, alvorens tot de orde van de avondmaaltijd over te gaan.
’s Avonds drinken we wat pilsjes in het café dat zijn eigen
bier brouwt: Fargher Lager. Het is het bijzonderste bier dat ik in Australië
heb gedronken, maar daarmee zeker niet het beste. Op het terras wordt een
vuurkorf aangestoken en later wordt er wat prima gitaar en zang verzorgd.
Ondanks de leuke muziek slaat rond middernacht de vermoeidheid toe en begeef ik
me richting bed.
_____________________________________________________________________
Ongekende luxe: uitslapen tot zeven uur! Ons aller fitheid
is onbeschrijflijk en vol enthousiasme duwen we onszelf weer de bus in voor de
laatste zeshonderd kilometers van onze tocht door midden Australië.
We rijden met aan de rechterkant enorme hoeveelheden niks en
aan de linkerkant de majestueuze Flinders Ranges. Pas na een paar honderd
kilometer begint het langzaam groener te worden.
We rijden wijnland binnen en in de Clare Valley stoppen we
voor een wijnproefsessie. Deze is helaas al even belabberd als dat hij snel is.
Zonder enige uitleg spoeden we door vijf bodempjes wijn heen en daar moeten we
nog voor betalen ook. Dat gaat in de Hunter Valley wel anders. We kijken nog
even rond en vervolgen vervolgens onze weg weer.
Rondom ons glooien de weilanden en we komen dieper en dieper
in de beschaving en dan is daar plots de ommekeer: de eerste stoplichten in
duizenden kilometers. We zijn Adelaide binnengereden.
In Adelaide worden we bij het hostel gedropt en na nog een
gezamenlijke maaltijd en een paar drankjes is de tour dan echt voorbij. Het
centraal doorkruisen van Australië in veertien dagen met zesduizend kilometer.
Het was bijzonder.
_____________________________________________________________________
Mijn uitslaapplannen worden om kwart over zeven bruut
verstoord door het openen van mijn ogen. Na een paar weken met de nachtcyclus van
een agrariër met insomnia is buitengewoon bedliggen kennelijk onmogelijk geworden.
Dit is maar beter ook, want ik heb slechts een paar uur om Adelaide te
verkennen, voordat ik om drie uur per vliegtuig weer van deelstaat verhuis.
Met de Duitse Alex en Nederlandse Stefan struinen we door de
hoofdstad van South Australia. Het is een stad met ruim een miljoen inwoners en
wordt gekenmerkt door de grote hoeveelheid parken. Waar Eindhoven een
binnenring heeft lopen, heeft Adelaide er eentje aangekleed met een reusachtig
rondje groen.
Het centrum doet gemoedelijk aan. De Universiteit is een
mooi oud gebouw en behalve wat wegwerkzaamheden ziet alles er vrij netjes uit.
We slenteren door de Botanical Gardens, waar de
rozenpartijen indrukwekkend te noemen zijn. Vervolgens bezoeken we the National
Wine Center. Dit is een bijzonder geinig opgezet wijnmuseumpje waar interactie
voorop staat. Helaas is de interactie alcoholvrij, maar de geurkastjes en
wijnboersimulaties zijn leuk genoeg om ook nuchter een kwartiertje aan te
wijden.
Via een te lange en licht saaie wandeling langs de
noordoever van de Torrens River, welke beter Torrens Ditch had kunnen heten, en
langs de varkensbeelden in de winkelstraat, komen we weer aan bij het hostel.
Daar zeg ik vaarwel, grijp ik mijn tas en een bus naar het vliegveld. Op naar
de volgende en tevens laatste fase van mijn reis.
Ingecheckt, geboard en gegespt zit ik in de vliegmachine.
Het gevleugeld overbruggen van de 2500 kilometers tussen Adelaide en Perth
duurt zo’n tweeënhalf uur en ik besluit de tijd te doden met het schrijven van
wat ansichtkaarten en hersenspinsels:
De vlucht Adelaide → Perth: Luchtige
overpeinzingen
Daar zit je dan, in stoel 1c van
een Boeing 737-800. Lezers met veel vliegervaring en mensen met een zeldzame
sociale afwijking die leidt tot vliegtuigspotten en andere banaliteiten, weten
dat dit de stoel is waarbij de geneugten van extra beenruimte slechts worden
overtroffen door de plezierigheid van uitzicht op de dijbenen van kortgerokte
stewardessen, recht tegenover. Helaas voor mij is één van de stewardessen van
de mannelijke sekse en van twijfelachtige geaardheid en is het overige
vluchtpersoneel elders kinderen aan het kleuren.
Op dit soort momenten dwaalt het
brein af en begint de rechterhand op inktige wijze uit de nek te zwammen, waar
de nek van de hand zich dan ook moge bevinden…
In mijn laatste schrijven op de
weblog stipte ik mijn ongenoegen al aan over mijn naderende vertrek uit
Australië. Hoewel ik met enthousiasme uitkijk naar hereniging met familie,
vrienden, haring en Bavaria, doet de gedachte aan mijn onvermijdelijke
scheiding van Australië en al het prachtige dat zij mij heeft gebracht, mijn
anders zo frivole gemoedstoestand verdrinken in depressie en melancholie.
Daar ik, godzijdank, geen Gerard
Reve ben, heb ik wat problemen om deze emotiecontrasten op passende wijze onder
woorden te brengen. Laat ik een poging doen met een bijzonder vergezochte
vergelijking.
Visualiseer een vrouw met een
kinderwens. Ik noem haar Truus. Truus heeft zojuist haar spiraaltje uit haar
symmetrisch geharste venusheuvel verwijderd. Met de naderende ovulatie gieren
hormonen en gedachten door lichaam en geest.
Enerzijds is daar het
vooruitzicht op een kleine (het kind, niet de verwekker). Anticipatie op hun
eerste ontmoeting, op het vervelen van anderen met eindelozen verhalen over het
kind. De verrassing van de sekse en de eerste stapjes.
Anderzijds daagt het besef dat
samen met het spiraaltje, ook het avontuurlijke, jeugdige leven wordt
weggegooid. Niet langer onbehoorlijk dronken worden, niet langer flirten met de
kebabverkoper. Het einde van verrassende seks en de laatste keer stappen.
Het besef dat na de eerste twee
Pampers de lol er ook wel weer vanaf is en het vooruitzicht op het postnatale
surplus van huid, drijven Truus bijna naar de vuilnisbak voor spiralistische re-integratie.
En zo zit dat bij mij ook
ongeveer. De academische klok tikt. Ik ben vol enthousiasme over de eerste twee
weken van hereniging en goed smakend drinkwater, van foto’s showen en verhalen
vertellen. Aan de andere kant besef ik dat de tijd die ik hier in Australië heb
gehad, met alle nieuwe vrienden en ervaringen, over twee weken onomkeerbaar
wordt afgesloten. Tel hierbij op dat alles na de eerste twee weken thuis weer
zo zal zijn als het altijd al was en ik grijp bijna mijn telefoon om mijn
retourvlucht voor de zoveelste keer uit te stellen.
Uiteraard is de vergelijking met
Truus belachelijk. Zeer waarschijnlijk veroorzaakt door de hallucinerende
dampen van de kinderschmink die recht tegenover mij een lelijk kind in een
mini-Spiderman verandert. Daarnaast is het hele Truus verhaal op zich ook nogal
ongeloofwaardig. Immers, hoe kun je met een naam als ‘Truus’ ooit iemand van de
mannelijke sekse tot gemeenschap verleiden?
Maar zoals gezegd; ik ben Gerard
Reve niet en koester geen enkele aspiratie tot gelijkenis anders dan van banksaldo.
En terwijl het vliegtuig zich overgeeft aan de zwaartekracht, nu Perth op een
boemerangworp afstand ligt, besef ik dat ik succesvol de tijd heb gedood, zij
het met minder naakt dijenvlees dan gewenst…
Perth
In de shuttlebus die mij naar mijn hostel brengt zit een
meisje dat er nogal Nederlands uitziet. Als zij bij hetzelfde hostel uitstapt
blijkt schijn niet te bedriegen. Ze heet Saskia. Samen eten we een hapje bij
een nabij gelegen semi-fastfood-restaurant en slikken we wat pils in een
nabijer gelegen Irish Pub.
In de Irish Pub zijn alle Ieren verjaagd door een groep
dronken Amerikaanse mariniers. Het is mooi om te zien met hoeveel bezieling
deze mensen de laatste restjes goede reputatie van het Amerikaanse volk
volkomen de grond in stampen. De lucht voelt dik aan door de overdadig
aanwezige ongeraffineerde geluidsgolven en de ongesneden spanning van
vechtpartijtjes en aanrandingen.
Mijn persoonlijke missie om bij checkpoint bravo bier te
vergaren ter bevoorrading van het Nederlands pilsfront loopt in een jammerlijke
Amerikaanse hinderlaag. Ik wordt overmeesterd; drie tegen één. Het kruisverhoor
is slopend.
Eén adolescent blijft mij voortdurend vragen hoe ik heet en
waar ik vandaan kom. Hij is duidelijk een veteraan in deze bar, ik herken het
aan zijn veteranenziekte. Hij is nauwelijks in staat om op eigen krachten op
zijn benen te blijven staan en doordat hij alle concentratie nodig heeft in
zijn strijd tegen de gravitatie, is hij niet in staat mijn antwoorden te
verwerken, waardoor de vragencyclus voortdurend wordt herhaald. Soms vertelt
hij tussen de vraagherhaling door dat hij drie jaar in Irak heeft gediend en nu
op verlof is, alvorens naar huis te keren. Iedereen weet immers dat de snelste
vaarroute van Irak naar Connecticut via Perth is…
De tweede persoon verkent de omgeving. Extra aandacht wordt
hierbij besteed aan de heuvelgebieden van de barvrouwen. Kennelijk verwacht hij
dat er elk moment een boze moslim tevoorschijn kan komen uit sector dubbel C of
uit depot Venus.
De derde persoon probeert informatie los te peuteren door
mij te drogeren. Ik wordt gedwongen verschillende glazen bier te ledigen of ik
zal mijn vaderland nooit meer terugzien. Wanneer ik dapper de sterke drank
weiger dreigt hij Saskia te bierbombarderen. Escalatie lijkt onvermijdelijk en
door de opgedrongen alcohol begint overlopen er steeds aanlokkelijker uit te
zien. Met mijn laatste krachten verman ik mij en trek ik alle diplomatieke
middelen uit de kast. Ik vertel ze dat mijn inlichtingendienst heeft gehoord
van een naderende invasie uit sector dubbel C en terwijl de drie
modelmilitairen hun posities rond de bar innemen, sluip ik, met twee
Amerikaanse biertjes, terug naar het thuisfront.
_____________________________________________________________________
Ik word wakker in een kleine rommelige kamer met zeven
andere kerels, een deel ervan stinkend. Wat betreft hostel is dit niet echt
geweldig, maar dat is meestal zo in de grote steden. Ach, het is maar voor drie
nachtjes en dan kan ik weer op pad, maar eerst nog even de stad bekijken.
Ik kom Saskia weer tegen bij de receptie en we besluiten
samen een rondje Perth te maken. Bij het verlaten van het hostel blijkt het
weer niet mee te zitten. Het is met zo’n vijfentwintig graden behoorlijk fris
en het miezert. We beginnen aan een wandeltocht zoals voorgeschreven door de
Lonely Planet; de reizigersbijbel.
We lopen door de torens van het centrum naar de oever van de
Swan River, waar the Swan Bell Tower fier over het water kijkt. Er wonen in en
rond Perth, de hoofdstad van Western Australia, zo’n anderhalf miljoen mensen,
dus aan hoogbouw is geen gebrek, zoals eigenlijk in alle grote Australische
steden.
Het is modern en gemoedelijk en het lijkt alweer de
zoveelste prima plaats om te wonen. Toch kan het me niet echt enthousiast krijgen.
Het weer en mijn vermoeidheid dragen hier misschien aan bij, maar ik merk ook
dat ik een beetje stedenmoe ben geworden. Na Utopia’s als Sydney en Melbourne
heb je de mooiste steden van het land wel gezien. Daarna begint het allemaal
enigszins op elkaar te lijken. Elke stad van betekenis heeft een rivier,
allemaal hebben ze wolkenkrabbers in het centrum en allemaal zijn ze modern en
vriendelijk. Voor een toerist is het vooral het binnenland wat dit tot zo’n
prachtig continent maakt, na natuurlijk het gebruikelijke rondje Sydney. Hoe
dan ook, die stedenmoeheid bevalt me wel enigszins. Het is een goed teken met
betrekking tot mijn naderende vertrek.
Moe of niet, we lopen door naar Jacob’s Ladder die ons in
het hoger gelegen King’s Park brengt. Dit is wederom een prachtig park met een
geweldig uitzicht over Perth. Het centrum, Swan River, Suburbia aan de andere
oever, het is toch wel weer een mooi gezicht.
Er ligt een stapel bloemen bij een gedenksteen die blijkt te
gaan over de aanslagen in Bali. Er ligt een brief bij van een jongen die door
die aanslag in één keer zeven vrienden verloor. Dat is nog een heel stuk
indrukwekkender dan het uitzicht over Perth, helaas op een heel andere manier.
We maken het rondje af, besluiten dat het een prima plek is,
maar dat we er geen week hoeven te blijven en gaan voor de rest van de middag
onze eigen weg.
De rest van de dag zit ik wat op Internet, stuur ik wat
kaartjes en lees ik een aardig stukje boek. De grote gemene deler in deze is
uitrusten en lamballen. Het is een aangename afwisseling op de laatste weken
van gejaagde sightseeing, maar ook een beetje onwennig. Ik boek een Whale
Watching Tour. Wekenlang heb ik in Newcastle hetzelfde geprobeerd, maar steeds
kwam het er niet van en dit lijkt mijn laatste kans om de Humpback Whales
(Bultrug walvis) te gaan bekijken.
Na genoten te hebben van The Bourne Ultimatum gedurende een
bioscoopbezoekje, keer ik terug naar mijn kamer, waar zeven andere kerels, een
deel ervan stinkend, al weer luidruchtig liggen te slapen.
_____________________________________________________________________
Kort na het opstaan wordt ik gebeld door het bedrijfje dat
mij naar de walvissen zou brengen. Het gaat vandaag niet door, vanwege een
ongunstige wind/tijcombinatie. Deze zoveelste mislukte poging komt nauwelijks
als een verrassing; het lijkt erop dat de walvissen mij echt niet willen zien.
Het goede nieuws is dat ik nu wel tijd heb voor het alternatief en dat is een
bezoekje aan Freemantle, een lieflijk klein plaatsje een paar kilometer ten
zuiden van Perth.
De trein brengt me in twintig minuutjes naar de plaats van
bestemming. Net voordat het station van Freemantle wordt bereikt, zie ik buiten
een paar reusachtige fregatten liggen, met een overdaad aan Amerikaanse
vlaggen. Ik zal op mijn hoede moeten zijn om niet weer in een alcoholhinderlaag
lopen.
Terwijl ik door de straten van Freemantle loop, word ik me
gewaar van een vreemde sensatie. Dit plaatsje doet me warempel denken aan
Terneuzen gedurende de Havenfeesten. De grootte van het stadje is vergelijkbaar
en het is er allemaal enorm nautisch. De gebouwen zijn allemaal wat ouder en
sfeervoller en ik zou zweren dat ik verse haring ruik, hoewel ik weet dat dat
onmogelijk is.
Er zijn stapels musea in het toeristische Freemantle en ik
bezoek het Ship Wreck Museum, dat gratis is. Dit kleine museum is geweldig en
al helemaal voor een Nederlander. Het is in feite één grote ode aan de
Nederlandse zeevaart en de VOC.
De gehele Westkust van Australië is ontdekt door
Nederlanders, ruim honderd jaar voordat Captain Cook het continent bezocht.
Veelal wisten de Nederlanders niet dat het een nieuw continent betrof en anders
interesseerde het ze niet. Men was namelijk altijd op zoek naar Jakarta (toen
nog Batavia geheten) en het bereiken van de gevaarlijke en onaantrekkelijke
Westkust van Australië betekende dat ze de afslag hadden gemist. Hierdoor ligt
de Westkust bezaaid met scheepswrakken, het merendeel Nederlands.
Het beroemdste wrak is van de Batavia, waar een deel van de
bemanning het zowaar heeft overleefd. Het verhaal is bijzonder, met muiterij en
gruwelijkheden en het resulteerde in twee bannelingen die de eer hadden om als
eerste Europeanen te leven en te sterven op het Australische vasteland. Eén van
de twee skeletten is te zien in het museum. Een landgenoot dus, zij het een
ongemanierde vlerk die heeft gemuit en gemoord.
Niet alle verdwaalde schepen zijn vergaan en hier en daar is
men aan land gegaan ter verkenning. Hierdoor zie je vele Nederlandse
plaatsnamen in Australië, met name aan de Westkust. Het museum doet over deze
zaken uitgebreid verslag met vele Nederlandse geschriften, schilderijen en
verhalen. Boven staan bakken met oude rijksdaalders, omringd met VOC vlaggen en
in een ander deel staat een stuk van de Batavia.
Trotser op mijn afkomst dan ooit tevoren wandel ik nog wat
door Freemantle en Perth alvorens ik vroeg mijn bed inkruip. De volgende morgen
verlaat ik deze plaats en begin ik aan een tiendaagse tour langs de Westkust.
De Nederlandse ontdekkingsreis duurt voort.
_____________________________________________________________________
Perth naar Broome
Om zes uur gaat de wekker en begint een nieuwe periode van
vroeg opstaan. Ik zwaai de stinkerds vaarwel en verlaat de veel te krappe
kamer. Na een fruitontbijtje verlaat ik het hostel en neem ik plaats aan de
overkant van de straat waar ik weldra zal worden opgehaald. Ik maak er kennis
met een aantal bijzonder aantrekkelijke dames en verheug me al op de krappe
busritjes. Helaas blijken zij precies dezelfde tour met een andere maatschappij
te gaan doen en ik zwaai ze uit terwijl ze door een dikke testosterongedreven
gids door het verkeer van Perth worden gereden.
Niet veel later komt de bus van Western Xposure. Onze gids
blijkt Jess te zijn en dat is goed nieuws. Alex en Vic hadden me gedurende de
trip door het midden des lands al veel fantastische verhalen verteld over de
trip met Jess.
Ik stap als één van de eersten in en met mijn voorkennis
grijp ik direct de beste stoel; direct achter Jess. De bus stroomt langzaamaan
helemaal vol met mensen die allemaal ouder zijn dan ik. Een bijzondere
ervaring, met vierentwintig jaren de jongste zijn. Dat was aan de Oostkust wel
anders. Gelukkig zijn de meesten maar een beetje ouder, maar het blijft een
teleurstelling na het eerdere aanblik van de samengeschoolde borstjes op het
trottoir.
Als we Perth uitrijden stelt iedereen zich om de beurt voor.
De Nederlanders blijken weer in de meerderheid: vijf van de eenentwintig passagiers.
Met nog een extra Vlaamse is het Nederlands hiermee de tweede taal. De Engelssprekenden
staan met negen mensen op de eerste plaats, met drie Britten, twee Ieren en
vier Ozzies, waaronder Jess. De derde plaats is onmiskenbaar voor de
Duitssprekenden met vier Duitse dames en een Zwitserse kerel en een Deense
blonde en Frans-Zwitserse schone maken de bus vol.
We zijn op weg, we hebben 664 kilometers te gaan. Al snel
maakt Jess haar reputatie waar als ze, bij het wachten voor wegwerkzaamheden,
het zeer toepasselijke en hilarische nummer “They’re digging a hole in the
road” draait. Dit soort muzikale ondersteuning kunnen we nog tien dagen
verwachten op de meest opmerkelijke momenten.
Na een paar uur rijden komen we aan bij de eerste attractie:
The Pinnacle Desert. Dit is eigenlijk een flinke partij duinzand waar duizenden
langwerpige stenen in permanente erectie de toeristen vermaken. Het is een
aardig gezicht, zeker omdat het er echt heel veel zijn. In de verte zie je een
tweetal kleuren zand samenkomen, donkergeel en spierwit.
Het weer is nog niet echt lekker. De bewolking en het koele briesje
zijn suboptimaal. Erger is de extravagante hoeveelheid vliegen. Kakadu was erg,
Uluru was erg, maar ze vervagen beide vliegkwantitatief bij wat er nu rond en
in mijn hoofdholtes zoemt.
We ontvluchten de vliegen en stappen weer in en het duurt
niet lang of een tweede attractie ligt provocerend op de weg. Vlak voor ons
ligt een slang ons uitdagend aan te kijken. We stappen uit voor de broodnodige
foto’s en de slang doet leuk mee met het aannemen van een aanvallende pose.
Vriendelijk als wij zijn, jagen we het beest met wat takken de weg af, hetgeen
bevorderlijk is voor zijn houdbaarheidsdatum.
Het is een donkere slang met een zwart hoofd. Ik heb de
laatste tijd een lijn in de dierennaamgeving gevonden en extrapoleer white
bellied sea eagle en yellow footed rock wallaby tot black headed python. Na wat
boekjes erop nageslagen te hebben blijkt deze gok nog correct te zijn ook. Ik
heb mijn roeping gemist…
Rechts aan de horizon luren grote zandduinen. Deze gaan we
beklimmen, om er vervolgens op een stuk hout weer vanaf te glijden. Dat gaat
een stuk sneller dan ik dacht. De duin die we voor dit doel misbruiken is denk
ik een kleine twintig meters hoog en dat levert meer dan voldoende potentiële
energie op die gedurende de afdaling in adrenaline wordt omgezet.
Na een paar keer zittend probeer ik het ook een paar keer
staand op het sand board. Dit resulteert in zand op plekken die in de leer der
anatomie zelfs geen Latijnse naam hebben.
Vermoeid van het herhaaldelijk beklimmen van de verzameling
los zand stappen we weer in de bus voor de laatste paar honderd kilometers van
de dag.
Na zonsondergang komen we aan in een gezellige
bed&breakfast in Hollocks Beach, een klein dorpje aan de kust. We genieten
van een smakelijke maaltijd op het balkon, luisterend naar de geluiden van de
branding. Dit is de Indische Oceaan en hij bevalt me nu al uitstekend.
Na het eten spelen we wat drinkspelletjes, waar niet alleen
Jess, maar ook de oudere uitbaatster van de accommodatie aan meedoet. Het is
een gezellig begin van een veelbelovende reis.
_____________________________________________________________________
Het is zes uur en we staan op. Claire, een sportieve
Nederlandse was al een uurtje langs het strand aan het rennen. Het lijkt dat
zij over een onmenselijke hoeveelheid energie beschikt. Een vermoeden dat nog
veelvuldig tot boven de verwachtingen bevestigd zal worden.
Western Xposure staat bekend om zijn geweldige maaltijden,
maar helaas blijkt dat niet uit het ontbijt. Zodoende schenk ik weer een paar
sneetjes bejamde toast aan het spijsverteringsstelsel, terwijl ik uitkijk over
de oceaan. Het weer is nog steeds niet geweldig. De wolken zijn donker en de
temperatuur een stuk koeler dan normaal. De uitbaatster hoopt op regen, ik ben
klaar om verder naar het Noorden te reizen. Een kilometer of 483 is een mooi
begin.
We rijden langs een paar carotine farms. Hier wordt carotine
gegroeid die vervolgens voor vitamine A preparaten en lippenstift gebruikt zal worden.
De farms zien er uit als grote oranje/roze meren.
Later komen we aan in Kalbarri National Park. Allereerst
parkeren we de bus, die trouwens Betsy heet, bij Pot Ally. Deze plaats geeft
een mooi uitzicht over de woeste kliffen. De dreigende bewolking en koele wind
versterkt het toch al onheilspellende en ongastvrije uitzicht. Het is alsof de
natuur zegt dat het op de straat is opgegroeid en er elk moment over kan gaan
rappen.
De volgende stop is Z-bend, een hoekig punt in een kloof.
Het uitzicht vanaf boven is ondanks het gebrek aan zon op zijn minst
indrukwekkend te noemen. We klimmen een stukje naar beneden en de laatste
vijfentwintig meter abseil ik. Grappig werk, dat abseilen, maar vijfentwintig
meter is niet echt de moeite. Hoe dan ook, het is beter dan springen.
We eten de lunch verderop in het park en met ronde buikjes
lopen we naar the Loop, een grote bocht in dezelfde kloof. Er liggen zelfs een
tweetal plassen water. Over een paar weken stroomt er waarschijnlijk weer iets
meer water, maar veel is het de laatste eeuwen sowieso niet meer.
Het wolkendek is inmiddels opengebroken en gezellige
schapenwolkjes decoreren de blauwe lucht. Het uitzicht over the Loop is
magnifiek, met name wanneer je door Nature’s Window kijkt; een natuurlijk raam
uit leisteen ontstaan. Het enige storende aan het uitzicht zijn de vliegen op
je pupillen.
Voldaan verlaten we Kalbarri National Park en een tijdje
later rijden we werelderfgoedgebied Shark